Het meisje dat groen was.

Er was eens een meisje, een heel gewoon meisje, met een heel gewoon zusje, heel gewone ouders, een wat bijzondere hond en een wat vreemde kat. Ze ging net naar de basisschool, ze had van haar zusje gehoord dat de basisschool heel leuk was, en dat was ook zo. Alleen, ze was de dagen voordat ze naar school ging, nogal zenuwachtig geweest. Gespannen. Sliep niet. At niet. Want ze was groen. Niet een beetje groen, of groenig, maar gewoon helemaal groen. Als gras. Ze had geleerd dat dat niet bijzonder was, want hoewel ze verder nooit iemand had gezien die groen was, ook niet een beetje groen, merkte ze nooit dat haar ouders of haar zusje aandacht besteedden aan het feit dat ze groen was. Ook opa en oma, die vaak op de thee kwamen, leken het niet te merken, en knuffelden haar, en brachten altijd iets mee voor haar en voor haar zusje. Van de kinderen op het pleintje, een eindje verderop in de straat, was er geeneentje groen, maar ze speelde tikkertje en verstoppertje met ze, ze kreeg een keer stiekum een kusje van het buurjongetje van de overkant, toen werden haar wangetjes even rood.

Maar nu naar school. Met allemaal vreemde kinderen, en oudere kinderen, wie weet wat die zouden denken. Want ze was groen. Niet een beetje groen, maar helemaal groen, als gras.

Ze wandelde de straat uit, hand in hand met haar zusje, allebei een rugtasje, die van haar was rood, die van haar zusje paars. Toen ze op het schoolplein kwamen, rende haar zusje weg naar haar vriendinnetjes, en stond ze alleen op het schoolplein. Er stonden meer kindertjes alleen, een beetje te kijken, maar ze durfde niet zomaar bij een groepje te gaan staan. Een vlinder vloog voor haar langs, een hele mooie, zwart met oranje, en lange voelsprieten. Ze keek er een poosje naar. Terwijl de oudere kinderen allemaal aan het spelen waren of in groepjes stonden te praten. Toen ging de bel.

Een juf stond bij de schooldeur, terwijl de kinderen allemaal naar binnen liepen. De juf wenkte haar, ze liep naar de juf toe. Ze ging met de juf en wat andere nieuwe kinderen naar binnen, naar een lokaal, waar al veel kinderen op stoeltjes aan tafeltjes zaten. Ze hing haar jasje aan de kapstok, en ging op een stoeltje zitten, aan een tafeltje, waarop een boekje lag, en een nieuw schriftje, en een potlood. Naast haar zat een meisje met een lange vlecht. Ze glimlachten naar elkaar. Dat meisje was niet groen. Zij was groen, als enige in de klas.

Die dag ging goed, en het hele jaar ging goed. Ze leerde snel lezen, en rekenen, en timmeren, en breien, ze speelde met de kinderen uit de klas, ze mocht trakteren als ze jarig was (mandarijntjes), en het leukst vond ze gymnastiek. Behalve rekenen dan, dat was nog leuker. En niemand leek te merken dat ze groen was, helemaal groen. Als gras.

Toen ze twaalf was, ging ze naar het gymnasium. Ze was daar wel zenuwachtig voor. Sliep niet zo goed. At niet. Want wie weet wat de kinderen op het gymnasium zouden denken. Dat ze groen was. Niet een beetje groen, maar helemaal groen. Als gras.

Het ging heel goed op het gymnasium. Ze leerde Latijn, en wiskunde, en natuurkunde, ze haalde negens en tienen. Ze kreeg nieuwe vriendinnetjes, en wat vriendjes, ze kwam in het schoolparlement, ze werd toen ze in de vierde zat voorzitter van de kunstcommissie, en ze won de debat-wedstrijd in de vijfde. Niemand leek te merken dat ze groen was. Niet een beetje groenig, maar gewoon helemaal groen. Als gras.

Ze deed eindexamen, haalde een zeven voor Latijn, tienen voor wiskunde en natuurkunde, en een zes min voor Grieks. Ze ging studeren. Wiskunde, want dat vond ze het leukste. Ze was wel wat zenuwachtig, toen ze voor het eerst op de universiteit naar college ging. Want wat zouden die studenten zeggen, dat ze groen was. Want niemand van de andere studenten was groen.

Ze kreeg vriendinnen op college, en een vriendje. Ze werd voorzitter van de studievereniging, ze kwam in het tweede jaar zelfs in de faculteitsraad. Dat kon toen nog, een student in de faculteitsraad. Ze volgde colleges calculus, en getaltheorie, en topologie, en mathematische fysica, en het was allemaal even leuk. En niemand die er erg in leek te hebben dat ze groen was. Niet een beetje groen, maar helemaal groen. Als gras.

Ze studeerde na vijf jaar af, net niet cum laude. Ze vond gelijk een baan, in de IT. Toen ze voor het eerst naar haar werk ging, was ze wel wat zenuwachtig. Want wat zouden ze zeggen?

Het werk was leuk. Ze programmeerde, kreeg al snel een eigen project met een eigen team, maakte promotie, en werkte hard. Ze deed een beetje aan politiek, in de buurt, ze schreef een column in een blad, en ze voelde zich prima. Soms paste ze op op het kind van de buren, ze ging naar feestjes, ze had weer een vriendje, het was best wel serieus. En niemand die het wat uitmaakte dat ze groen was.

Totdat.

Ze las de krant online, ze las een berichtje over de gemeenteraad in de stad waar ze woonde. De gemeenteraad had een verklaring uitgebracht, en daarin stond: “Er zijn mensen die groen zijn. De gemeenteraad heeft een beleid van inclusiviteit, en we vinden dat we mensen die groen zijn niet mogen discrimineren, we moeten inclusief zijn. Dus vanaf nu zullen stukken vanuit de gemeente en van uit de gemeentelijke diensten niet meer als aanhef hebben ‘beste burger’ maar ‘beste burger, ook groene burger’.” Ze moest het nog een keer lezen om het te begrijpen. Het stond er echt. Ze zou niet meer gediscrimineerd worden in officiële stukken van de gemeente. Maar ze was nog nooit gediscrimineerd.

Een week later was er een berichtje over de spoorwegen. In navolging van de gemeente hadden die een nieuw beleid over het aanspreken van reizigers op de perrons. Voortaan zou er niet meer worden omgeroepen “dames en heren”, maar zouden de luidsprekers zeggen “dames en heren van welke kleur dan ook”. Met de toelichting dat dat was om groene mensen niet voor het hoofd te stoten.

Die avond lag ze in haar bed zachtjes te huilen. Wat had ze fout gedaan?

Het was een jaar later dat de kranten berichtten dat in het parlement een wetsvoorstel was gedaan, om artikel 1 van de grondwet aan te passen. Dat artikel bepaalde dat discriminatie strafbaar was, maar er zou aan toegevoegd worden dat ook discriminatie van groene mensen strafbaar was. Ze fronste haar wenkbrauwen, las het nog eens, het stond er echt. Een traan welde op in haar rechter oog.

Op het werk de volgende dag vroegen collega’s wat ze ervan vond, dat ze nu niet meer gediscrimineerd mocht worden. Ze negeerde de collega’s. In de sportschool vroeg de trainer wat ze vond van het wetsvoorstel. Ze nam een abonnement bij een andere sportschool.

Twee maanden later werd het wetsvoorstel aangenomen en was in de grondwet in artikel 1 opgenomen dat niet alleen discriminatie strafbaar was, maar ook discriminatie van groene mensen. Alle kranten meldden het in grote koppen, alle politici twitterden dat het een aard had, over dat nu ook groene mensen niet meer gediscrimineerd mochten worden. Alleen die rare blonde populist twitterde “maar discriminatie was toch al verboden?”.

Vriendinnen vroegen haar of ze nu niet blij was, met het nieuwe grondwetsartikel. Ze negeerde haar vriendinnen. Ze kreeg mailtjes van kennissen, van verre vriendinnen, over het nieuwe grondwetsartikel. Ze zou nu niet meer gediscrimineerd kunnen worden. Ze verwijderde hun email adressen.

Die avond lag ze in bed te huilen. Ze viel pas tegen de ochtend in slaap. De volgende ochtend verscheen ze niet op haar werk, en de dagen erna ook niet. Ze werd eigenlijk helemaal nooit meer gezien.

Jaren gingen voorbij, iedereen was gelukkig met het nieuwe artikel 1 van de grondwet, en het leven ging verder. Toen vond iemand uit wat er met het meisje was gebeurd. Wat ze had gedaan. De kranten stonden er vol van, het land was in rouw, de vlaggen hingen half stok.

Alleen heeft niemand ooit begrepen waarom ze het had gedaan.