Agile, Programming

Zelf sturen, in het peloton

Ik wielren. Dat doe ik al een poosje, ik ben begin jaren ’70 begonnen. Ik had een racefiets gekocht, een studiegenoot was secretaris van de wielervereniging GGMC, en voor ik het wist reed ik mijn eerste clubkoers op een stratenparcours in Weesp. Het eerste jaar viel het niet mee, maar gaandeweg ging het beter en kon ik de groep steeds beter bijhouden. Het waren clubkoersen, oud en jong, jongens en meisjes door elkaar, om aan het begin van het seizoen (vanaf februari, brrr, koud!) in vorm te raken voor de wedstrijden. Ik reed alleen criteria, de kleine wedstrijden op een klein parcours rond het dorpsplein of de kerk. 40 rondjes van 1.5km over hobbelige klinkerstraten met scherpe bochten en smalle straatjes. Dat is natuurlijk veel minder heroïsch dan de grote ronden door het Hollandse landschap waar ze in waaiers tegen windkracht 5 in rijden of met z’n vieren een uur lang een voorsprong moeten houden op een ontketend peloton. Maar toch, ik vond het super leuk. Gezellig ook, de saamhorigheid in de wielerwereld is groot, als beginner krijg je links en rechts tips en goede raad, en soms bij de start een wiel (“je hebt een afloper, hier, neem dit wiel maar”). Eén ding heb ik goed geleerd, in 15 jaar criteria rijden: sturen. In het begin is het eng, in een grote groep schouder aan schouder op een smalle bocht af stormen, je aarzelt, en voor je het weet zijn 20 renners je voorbij gegaan. Gebeurt dat een paar keer, dan rij je achteraan, en moet je jojo’end aan de staart dubbele inspanning leveren. Diezelfde secretaris, Maarten Wijdenes, heeft me goed geholpen. “Je moet je smal maken, dan pas je nog in het gaatje voor je”. Hij had zelf om die reden een heel smal stuur op zijn fiets. Ieder gaatje waar je je nog tussen kan wurmen is meegenomen, want hoe meer je middenin de groep een beetje vooraan rijdt, hoe minder inspanning het kost. En ja, dan voel je een hand die je iets opzij of vooruit duwt, of duw je zelf iemand een beetje naar voren. Je gaat schouder aan schouder, soms wringt het wat, maar je aarzelt niet, want dan raak je achterop en moet je meer inspanning leveren. En ja, je raakt wel eens met je voorband een achterband. Geen paniek, je stuur goed vasthouden, en doorfietsen, dan komt het altijd goed. Soms gaat het niet goed. Dan lig je ineens op de klinkers. Dan sta je op, en je leert dat die schaafwond op je dij best wel weer snel geneest, en dat die snee in je wang best wel mooi gehecht kan worden, en een week later zit je weer op je fiets in de ronde van Landsmeer. Of Rijsenhout. Of Volendam. En je wurmt je er weer tussen, en je haalt er in de bocht een paar in, omdat je wat sneller door de binnenbocht durft.

Ik fiets nog steeds. Geen wedstrijden, die zijn er niet voor mijn leeftijdcategorie, maar ik train op hetzelfde niveau als vroeger. Meestal 250km in de week, in de jaargetijden dat het licht het toelaat om na het werk nog even te gaan fietsen. Ik train alleen. Deed ik vroeger, doe ik nu. Fietsen in een groep op de openbare weg vind ik spannend, onoverzichtelijk, en soms gevaarlijk. Er zijn paaltjes, voetgangers, uitwijkende auto’s, andere fietsers, en alleen zie je dat allemaal op tijd, in een groep ben je afhankelijk van anderen. Bovendien hoef je in je eentje niets te plannen: ik ga fietsen als het uitkomt. Wat ik wel doe is als een groepje mij voorbij komt, dat ik aanpik. Dan rij ik een poosje mee, en als het getrainde wielrenners zijn, dan rijden we vloeiend door het verkeer, maken een simpel handgebaar als er een voetganger of een paaltje is, rijden heel dicht aan het wiel maar als iedereen een strak tempo rijdt gaat dat prima. Doet iemand dat niet, dan laat je die achter je, strak tempo is belangrijk. “Strak” in de zin van “heel constant”.

Soms rij ik mee met een groepje vrouwen van de wielervereniging waar ik lid van ben. Het is een groepje vrouwen die lekker kunnen fietsen, de ritjes zijn meest gericht op het contact en de gezelligheid. De wielerbond stelt verplicht om als je in clubverband in een groepje rijdt, dat er dan een “wegkapitein” bij is. Die wegkapitein zorgt dat de groep veilig en verantwoord door het verkeer rijdt. Je rijdt met z’n tweeën naast elkaar, tempo tegen de 30 per uur, als de weg smal of druk wordt, moet je achter elkaar rijden, als er een paaltje is moet je achter elkaar en rechts erlangs, en als er een voetganger, fietser of tegenligger is wordt er “voor” of “tegen” geroepen. Of “paaltje!”. En eerlijk gezegd, ik vind dat niet prettig fietsen. Rij je met een groep van tien en iedereen kan goed sturen en let goed op, dan hoeft er niets geregeld te worden en is er geen gevaar, je rijdt vanzelf goed om de paaltjes en langs de fietsende oudere echtparen. Heb je teveel vaart, dan schuif je in het gaatje tussen anderen, of je haalt iemand in, in het ergste geval pik je een stoeprandje mee. Het gaat organisch, vloeiend, en veilig, omdat iedereen goed kan sturen en goed kijkt. In de groep met de wegkapitein kan dat niet. Je mag niet in het gaatje piepen, want je moet met z’n tweeën naast elkaar blijven, of als er een paaltje is moet je er rechts langs, je mag niet als je teveel vaart hebt er dan maar links langs want dan raken anderen in de war. Iemand die teveel vaart heeft, remt, dan moeten anderen remmen, en voor je het weet ligt er iemand op de grond. Het klinkt paradoxaal, maar ik vind fietsen in een groep met een wegkapitein en strikte regels voor de veiligheid veel gevaarlijker dan fietsen in een groep met mensen die ik verder helemaal niet ken en die allemaal naar eigen inzicht over de weg fietsen. Ik zie dat regels in de groep en centrale leiding veel minder effectief zijn – of zelfs contra-productief zijn – dan 100% vertrouwen op de stuurkunst van de individuën. Ik rij dus niet vaak met het vrouwenclubje mee, maar pik als het kan wel aan bij een groepje voorbij snellende wielrenners.

Ik zat dit daarnet op de fiets te bedenken (ringdijk langs de Haarlemmermeer, veel wind, regen) en ik realiseerde me dat het fietsen in een groep een mooie analogie is voor het werken in een team. Ik heb in de loop van de tijd in veel software development teams gewerkt, in verschillende rollen. Een deel van die teams werkte in een klassieke organisatie met managers en functiebeschrijvingen, een deel van die teams waren startups zonder structuur of direct management, en in toenemende mate zijn het teams die volgens scrum werken. Scrum is een methode die ontwikkeld is door een groep mensen die een analyse heeft gemaakt van succesvolle software development teams en vervolgens regels en procedures heeft opgesteld voor het werken als team. De eerste analyses op dit gebied zijn gemaakt door Ikujiro Nonaka en Hirotaka Takeuchi, in de jaren ’90. Zij gebruikten rugby als metafoor, vandaar de naam “Scrum” voor de nu populaire methode. Een groep software developers heeft in 2001 het “Agile Manifesto” opgesteld, regels en principes voor effectieve software ontwikkeling. Tegenwoordig gebruikt iedere organisatie Scrum, een methode die in veel detail voorschrijft hoe je effectief en efficiënt software ontwikkelt. En als ik mijn ervaringen met waarlijk agile teams uit de jaren ’90 en ’00 vergelijk met de Scrum teams van nu, dan zie ik hetzelfde als wat ik zie bij het wielrennen in een groep: regels, gedetailleerde voorschriften en strakke leiding maken het proces slechter, niet beter. Als ik in het peloton besluit dat links in het gaatje duiken het veiligst en het snelste is, wil ik in een software team ook kunnen besluiten dat ik voordat ik mijn geplande werk doe eerst iets anders doe dat mij en de rest van het team helpt. Maar de wegkapitein roept “met z’n tweeën naast elkaar!” en de scrum master zegt “dan moet je eerst een user story maken en dan kunnen we die in de volgende refinement bekijken en dan volgende maand in de sprint meenemen”. Ik voeg me dus naar de wegkapitein, ik mis gelukkig net dat paaltje, en ik besluit niet zo vaak mee te rijden met een groepje met een wegkapitein. Welke paaltjes ik mis in de software development weet ik niet, het zullen er vele zijn, maar soms knal je dan wel op het paaltje. Dan hoeft er niets gehecht of verbonden te worden, behalve de schram op je ziel, maar je wordt er niet gelukkig van.

Als je goed kunt sturen en je weet dat de anderen in het peloton ook goed kunnen sturen, dan kun je doen wat je wilt en hoeven er geen regels te zijn, hoeft er geen wegkapitein te zijn. Goed kunnen sturen wordt bepaald door ervaring, talent, durf en motivatie. Ik denk dat agile werken ook wordt bepaald door ervaring, talent, durf en motivatie. Je kunt in een agile team werken als je ervaring hebt, en motivatie. Heb je geen ervaring, dan moet je talent hebben, en motivatie. Durf wordt nooit genoemd in de scrum- en agile leerboeken. Durf in een team betekent volgens mij dat je beslissingen durft te nemen zonder eerst een eindeloze analyse te doen. Je volgt je gevoel, en je accepteert dat je onderuit gaat (grote schaafwond op je ziel en hechting in je wang) en dat je de schade moet herstellen. Dat kan alleen als je weet dat de rest van het team dezelfde durf heeft, en fouten accepteert. Het gevolg van geen fouten durven maken is dat je achteraan fietst en door de extra inspanning halverwege de wedstrijd wordt gelost.

Wat je nodig hebt in een agile organisatie is een team van software developers die goed kunnen sturen en die zelf in dat gaatje durven sturen. Wat je nodig hebt zijn managers die durven vertrouwen op die stuurkunst.