Christine verdwaalt in De Digitale Stad

DDS2

 

Op 15 januari 1994 las ik in de Volkskrant een artikeltje van ene Francisco van Jole. Het ging over een experiment in Amsterdam, iets met internet en de gemeente Amsterdam en De Balie. Ook iets met hackers. “De Digitale Stad” heette het. Er stond een telefoonnummer bij. Ik werd nieuwsgierig en ik belde met het modem dat aan mijn laptop zat. In gesprek. Nog een keer in gesprek. Maar na een keer of vijf kreeg ik verbinding. Het geruis en gepiep dat ik kende van het inbellen op bulletin boards en op de modems van de UvA waarlangs ik normaal toegang tot internet had. Toen het lawaai stopte, verscheen er een schermpje. Ik denk dat er een schermpje kwam waarmee ik een account kon aanmaken, maar ik weet dat niet meer. Ik kwam uiteindelijk op een scherm met 10 opties (het screenshot is van later, ik kan het originele niet meer vinden). Ik zat een poosje te kijken. Ik klikte op “Een Plein”. Mijn leven is nooit meer hetzelfde geweest.

“Het Plein” was een soort chatbox. Een soort Twitter, maar dan heel anders. Teksten kwamen in rap tempo voorbij, blijkbaar ingetypt door mensen die net als ik het telefoonnummer in de krant hadden gebeld met hun modem. Ik typte “hallo”. Het spervuur van tekstjes van anderen ging gewoon door. Ik typte nogmaals “hallo”. Onmiddellijk kwam er een antwoord: “dat zei je net ook al”. Hmm. Apart. Ik deed ctrl-X en kwam weer in het menu. Nu dan maar “Het Postkantoor” proberen. Daarmee kwam ik in Elm, een email programma dat ik kende van Unix systemen. In de Inbox stond een welkomst berichtje van De Digitale Stad. Ik meen dat het was ondertekend door Marleen Stikker, maar dat weet ik niet meer, het is 25 jaar geleden en de tijd is sinds die zaterdagmiddag zo vreselijk snel gegaan. Ik stuurde een mailtje naar David, een AI wetenschapper aan GMU in de VS, de enige van wie ik zo snel het email adres kon bedenken. Dan maar “De Kiosk”. In de Kiosk kwam ik terecht bij artikelen van het NRC en van de Automatiseringsgids. Handig om die zo via je laptop te kunnen lezen. Dan “Openbaar Forum”. Een klein menu met titels als “dds.technopolis” en “dds.dds”, en “dds.misc”. Usenet was dat, een forum-iets dat op Unix systemen werd/wordt gebruikt als discussieforum, vergelijkbaar met de web forums van vandaag, maar dan heel anders. Usenet Groups is tegenwoordig ook toegankelijk als “Google Groups”.

In “dds.technopolis” las ik een stukje van prof. Egbert Dommering over internet en juridische aspecten en zo. Een nogal theoretisch stukje. Ik geloof niet dat er reacties onder stonden. O ja, eentje, van Marianne van den Boomen, die de moderator was van deze groep. De bedoeling was te bediscussiëren wat de invloed van het internet zou gaan zijn op de democratie, op onze samenleving, op alles. Ik postte dus maar een reactie, met de strekking “denk je dat het nuttig is op usenet zo’n enorm lang stuk te posten?”

Terug naar “Het Plein” dus. Weer “hallo”, weer “dat had je al gezegd”. Maar nu meer reacties, en binnen vijf minuten was ik in een geanimeerd gesprek gewikkeld met figuren als “MrJoost” en “MrFanatic”, en een Renate, en heel veel anderen. Na een kwartiertje of zo werd de chat ruw afgebroken, mijn verbinding werd verbroken. Terug inbellen was lastig, pas na 20 keer bellen was ik weer ingelogd. Navraag op het plein leerde me dat De Digitale Stad iedereen die inbelt er na een half uur uit gooide, om andere mensen ook een kans te geven mee te doen. Er waren veel meer inbellers dan modems. Ik heb heel wat keren opnieuw ingelogd die avond, en toen het tegen drieën wat rustiger werd, zette ik mijn laptop uit. Om een uur of twee had ik van Jole’s stukje gelezen, en nu 13 uur later was ik perplex. Wat is dit allemaal? Maar ook vastbesloten: hier wil ik meer van weten.

Ik wist ook wat meer, intussen. Op het plein hoorde ik dat op Salto TV een live uitzending was over De Digitale Stad. Ik zette dat aan, en ik hoorde Diana Ozon praten met vaag uitziende figuren achter computers, in De Balie, over DDS. Er verschenen tekstjes onderin beeld, die van Het Plein bleken te komen. Als ik wat intypte op Het Plein, verscheen dat soms in beeld, en dan praatte Ozon daarover met de vage jongelui in De Balie. Maar op Het Plein (dat IRC was, Internet Relay Chat, dat bestaat nog steeds) werd over Ozon gepraat, en over De Balie. Het was het eerste multi-mediale gesprek dat ik heb meegemaakt: een gesprek dat simultaan via internet en TV verloopt. Heel bijzonder. Later nooit meer zo gezien.

‘s Zondags besloot ik dat al dat opnieuw inbellen maar zonde van de tijd was, en ik meldde me aan bij hacktic.nl. Dat had men mij op IRC aangeraden, neem een account bij Hacktic dan blijf je gewoon ingelogd. De kosten konden het niet zijn, het kostte 5 gulden per uur. Pas later realiseerde ik me dat als je vier uur per avond bent ingelogd en het kost 5 gulden per uur, dat je dan aan het eind van de maand een flinke rekening krijgt. Die maanden heb ik Hacktic flink gesponsord.

Twee weken later was er een bijeenkomst van De Digitale Stad in De Balie. Daar ontmoette ik de mensen die ik kende van het plein en het forum. Marleen Stikker, die vanuit De Balie één van de initiatiefneemsters was van DDS. Felipe Rodriguez, die vanuit Hacktic de technische kennis en infrastructuur leverde. Joost Flint, die de hele zaterdag heen en weer fietste tussen de drukkerij en boekhandel Scheltema om nieuwe boekjes te brengen, de “handleiding Digitale Stad”. Ze vlogen bij Scheltema sneller de deur uit dan Flint ze kon aanslepen, ehm, aanfietsen.

Ik ontmoette ook Marianne van den Boomen, de moderator van dds.technopolis, de discussie over “internet en politiek en samenleving”. Ze zei “je bent in het echt heel anders, online ben je zo’n opgewonden standje”. Ik hoor het haar nog zeggen. Op het eerste gezicht ging DDS over techniek. Over computers, modems, servers, unix, van alles. Met name Marleen en Marianne legden echter een heel ander accent. DDS was geen techniek. Het was een community. Een gemeenschap die online ontmoet, discussieert, doet, van alles. Een beetje zoals “The Well”, waarover Howard Rheingold een boek had geschreven, “The Virtual Community”. DDS wás een virtual community. Het was een stad zonder fysieke grenzen, zonder locatie, zonder beperkingen. Marleen vertelde over Donna Haraway en haar Cyborg Manifesto. Bedenk wel, dit was 1994.

Het belangrijkste dat ik heb geleerd van Marianne en Marleen is dat internet, en online communities, en “online” in het algemeen, wordt bepaald door metaforen. De Digitale Stad maakte met de stadsmetafoor van een computernetwerk een bloeiende gemeenschap. De Digitale Metro was een bouwwerk onder de bodem van De Digitale Stad, het was ook een moo waar honderden enthousiastelingen bouwden aan hun eigen digitale structuren. En bouwden aan vriendschappen en relaties tussen mensen. Het Plein was een ontmoetingsplek waar mensen elkaar via modem-piepjes ontmoetten, maar dat niet alleen: al snel gingen we samen regelmatig pannekoeken eten, steeds in een andere stad in Nederland. MrJoost bleek ondanks zijn vervaarlijke naam een heel vriendelijke jongeman. MrFanatic bleek een beetje verlegen.

De Digitale Stad heeft langer bestaan dan de tien weken die oorspronkelijk gepland waren. Maar toch ook niet heel lang: na een paar jaar ging iedereen weer z’n eigen weg, nu met alle bagage die DDS ons gegeven had. Marianne ging verder met de metaforen, uiteindelijk is ze in 2014 gepromoveerd aan de RUU op een proefschrift over online metaforen: Transcoding the digital : how metaphors matter in new media. Inmiddels was ze heel ernstig ziek geworden, en niet lang na haar promotie is ze veel te jong overleden. Ze leeft voort, niet alleen in de boeken die ze heeft geschreven, maar ook in wat ze voor het internet heeft betekend: het internet is geen techniek, geen technologie, geen netwerk, geen computer. Het is een metafoor van onze samenleving.

 

Ik heb iets met React gemaakt

Zaterdag heb ik wat met React geknutseld, en een UI gemaakt op een database met berichtjes. De berichtjes worden via een API beschikbaar gesteld aan derden. Ik had dit voor een klant gemaakt, als een soort proof of concept. En als een oefening voor mijn web site over “Het nichtje van Tante Thérèse“.

Het voorbeeldje staat hier. Het is werk in uitvoering, bij voorbaat excuses als het niet werkt omdat bijvoorbeeld de server ergens over is gestruikeld.

10 Tips voor de Agile Manager

column_agile

Ik begon in 1998 met agile werken, met Xtreme Programming en met de ideeën en ervaringen van Ikujiru Nonaka en Hirotaka Takeuchi (dat is een artikel, het boek is beter), de oervaders van het agile werken. Indertijd ging dat eigenlijk vanzelf, maar naarmate meer organisaties het wendbare werken omarmen lijkt het minder succes te hebben. De wendbaarheid van een organisatie neemt helemaal niet toe door er het label “Agile” op te plakken. Ik geef hier een paar tips hoe je wel agile werkt.

1. Agile begint van boven

Een organisatie kan niet de teams op de werkvloer wendbaar en flexibel laten zijn als het management vasthoudt aan de oude starre methoden en gebruiken. Wil jij een wendbare organisatie creëren dan begin je bij jezelf, bij je collega-managers en bij je baas. Alleen als de nieuwe wendbare flexibele werkwijze zichtbaar gedragen wordt en gehanteerd wordt door het management kan het werken op de werkvloer. In het wendbare werken is voorbeeldgedrag de beste kennisoverdracht.

2. Agile doe je met z’n allen

Het doel van de wendbare organisatie is snel te reageren op veranderingen van buiten en van binnen. Een wijziging in je systemen (of in je organisatie) wil je niet in drie maanden uitvoeren, maar liefst in een uur. Een dag misschien. Een week max. Dat lukt niet als je processen zo zijn dat eerst gebruikers zich moeten uitspreken,  dat de afdeling marketing er z’n zegje over moet doen, en de verkoop, de systeembeheerders, en iedereen. Dat lukt alleen als je met z’n allen aan een grote tafel gaat zitten en zegt “we beginnen!”. Als manager faciliteer je dat. Als manager roep je “de markt vraag ineens om X” en je roept iedereen bijeen die met X te maken heeft, en je gaat aan de slag. In een agile team zitten alle betrokkenen, op basis van gelijkwaardigheid. Alle betrokkenen, niet in één vergadering, maar allemaal samen in hetzelfde team.

3. Agile is empowerment

Wendbaar kan alleen werken als de beslissingen ter plaatse en onmiddellijk door betrokkenen genomen kunnen worden. Als er ontwerpers, gebruikers en programmeurs aan tafel zitten dan moeten die samen kunnen beslissen wat er gebouwd gaat worden en hoe het gebouwd gaat worden. Ook als dat resources kost. Ook als daarvoor geld uitgegeven moet worden.

4. Agile is geen methode

De meeste organisaties die wendbaar gaan werken sturen de medewerkers naar een training, schaffen boeken aan en hangen posters op. Op de training leren de medewerkers dat je alleen “agile” werkt als je iedere ochtend een standup meeting doet, als je gele briefjes op een al dan niet virtueel bord plakt, als je “user stories” maakt en die in taakjes opdeelt en als je met z’n allen story points inschat. Je weet dat je wendbare organisatie is mislukt als mensen gaan discussiëren of iets nou wel of niet agile is.

5. Agile is vertrouwen

In een rugby team dat optimaal presteert weten spelers elkaar blindelings te vinden. Ze gooien de bal schijnbaar zomaar ergens naar toe, vertrouwend dat een medespeler op tijd ter plekke is om te vangen. Ze trappen de bal een heel eind weg, wetend welke medespelers het spel van daaruit weer oppakken. Ze weten welke medespeler waar goed in is. Ze weten wie het hardste lopen en wie het zuiverst kunnen schieten. In een team (software makers of anders) moet dat ook gelden. Als Sophie feature X gaat bouwen, weet het team dat feature X in goede handen is en dat feature X naadloos gaat passen op feature Y die Joris ondertussen maakt.

6. Agile is een state of mind

Het maakt helemaal niet uit of je aan het begin van de ochtend een meeting houdt, en niet of je die staand of liggend doet. Het maakt niet uit hoe lang je sprints zijn en of je sprint meetings houdt of niet. Sterker nog, de tijd dat je met z’n allen aan het vergaderen bent gaat af van de tijd dat je aan het werken bent. Onderlinge afstemming en communicatie is hard nodig, maar één op één gaat dat veel sneller en effectiever. En het hoeft niet met woorden: als Sophie en Joris in elkaars code kunnen kijken communiceren ze daarmee ook. De wendbare werknemer ziet wat er nu nodig is in het team en gaat dat doen, of zorgt dat het gedaan wordt. De wendbare werknemer voelt de verantwoordelijkheid die het team heeft voor een resultaat, en handelt daarnaar.

7. Agile is sparren

Als je feedback nodig hebt kun je wachten op de eerstvolgende meeting, een dag later of een week later. Dat werkt niet. Wat je moet doen is je vraag om feedback in het team kenbaar te maken zodat degene die het best ge-equipeerd is om die feedback te geven, dat ook onmiddellijk te doen. Je roept iets door de kamer, desnoods door het hele kantoor, je zet iets op slack, wat dan ook, maar zorg voor onmiddelijke feedback.

8. Agile gaat zonder kritiek

Iemand in een agile team die zegt “dat is fout” mag van mij haar huis. Oordelen over andermans werk leidt tot verlammende discussies waar niemand beter van wordt en waar in ieder geval niemand gelukkig van wordt. Vaak is het beter om twee dingen te proberen en dan te zien welke handiger is of te zien dat beide manieren werken. Discussies zijn contraproductief.

9. Agile is leuk

Een team dat zichzelf wendbaar noemt maar waar men niet vrolijk kijkt, daar is iets mee mis. Plezier in je werk is een voorwaarde om je werk goed te kunnen doen. Samen plezier hebben in wat je doet is essentieel om als team effectief en efficiënt te werken. Plezier motiveert anderen. Plezier is de brandstof voor je wendbare team.

10. Agile zit in het product

Ik heb voornamelijk ervaring met teams die software maken, maar deze tips gaan mutatis mutandis op voor alle teams en al het werk. Software kan agile zijn. Code die eenvoudig te wijzigen is, is agile. Software die niet eenvoudig te veranderen is belemmert het wendbare proces. De test voor onderhoudbaarheid en veranderbaarheid voer je uit met een nieuw teamlid: iemand die de software niet kent moet binnen een uur zinvol met de code aan de slag kunnen zijn. Een team waar het een week duurt voordat iemand begrijpt hoe de code werkt, is niet wendbaar.

11. Agile is verantwoordelijkheid

Het enige wat telt voor een team is het resultaat. Als het team zonder koffie niet verder kan, ga je koffie halen. Als het team honger heeft, ga je lunch klaarmaken. Ook als je een senior programmeur bent, en ook (nee, juist) als je de manager bent. Je kunt als stagiair best vinden dat jij er niet voor de koffie bent, maar je kunt ook bedenken dat het team sneller werkt als jij wat vaker koffie haalt en broodjes smeert dan de senior programmeur. Het gaat er niet om wie wat wanneer hoe doet, het gaat erom wat aan het eind van de dag het resultaat is.

12. Agile is niet “ja maar”

Op al deze tips is iets aan te merken. Op allemaal zijn nuances aan te brengen. Je kunt alle tips letterlijk nemen, maar dan mis je het punt. Wendbaar, flexibel, agile, het is een houding. Een houding van de teamleden, van de managers, van het team als geheel. Als je nu zegt “ja maar” dan heb je gelijk. Schrijf je eigen tips in je eigen blog en ik zal ze liken. Zolang maar niemand denkt dat een agile werkwijze afhangt van cursussen, trainingen, posters, instructies, vergaderingen of pokerkaarten.

En ja, het zijn er 12 geworden. De illustratie is van Monica.