Blog

Wielren-herintreder

Toen ik wielrende, vroeger, ik bedoel, toen ik koerste, had ik een fiets die Piet Aandewiel voor mij op maat had gemaakt. Dat was in 1974. Voor de onderdelen (“groep” heet dat tegenwoordig) moest ik als student een half jaar sparen. Ik kocht remmen van Weinman, ik had niet de duurste Campagnolo remmen nodig want in een westrijd wil je toch niet remmen. De achterderailleur was Campagnolo Nuovo Record, de voorderailleur een gewone Campagnolo, een crankset van Sugino want voor Campagnolo had ik toen geen geld meer.

De tandwielverhoudingen waren standaard. Je had voor 52-48, en achter 14-15-16-17-18. De 18 was voor tegenwind, de 15 en de 16 voor de criteria. De 18 kon je alleen gbruiken met het kleine blad voor, met het grote blad kon je de 14-15-16 gebruiken. De ketting mocht niet te schuin lopen. Ik heb in de polder toen nooit behoefte gehad aan andere tandwielverhoudingen. In de heuvels en bergen wel, natuurlijk.

Ik heb in 2010 voor het laatst op die fiets gefietst, na een periode helemaal niet gefietst te hebben. Ik kon nog wel bandjes kopen voor de Aandewiel, tuubs, maar een ketting niet, tandwielen niet, wielen niet, niks paste, het was allemaal teveel veranderd. Ik kon ook de Clement bruine kit nergens vinden, de kit die je altijd gebruikte om de bandjes op de velg te kitten.

Ik moest dus een nieuwe fiets.

Ik kocht een Specialized Tarmac, het instapmodel, met een Shimano 105 groep. Ik dacht “de achterderailleur is super belangrijk om goed te schakelen” dus liet ik er een Dura Ace achterderailleur op zetten. Ik weet nu dat dat onzin was: een moderne goedkope derailleur schakelt al veel beter dan het Campagnolo Nuovo Record topmodel van toen.

Waar ik jaren mee geworsteld heb zijn de tandwielverhoudingen. Mijn nieuwe fiets had tien tandwielen achter, van 11 tot 23. Voor is het 53-39. Vanuit mijn oude idee “de ketting mag niet te schuin lopen” vond ik een 11 tandwiel achter een absurd idee. Als ik op mijn 20e het 14-tandwiel al te zwaar vond, hoe kan ik dan als 60+er een 11 trappen? En een 23, dat was waar ik vroeger mee in de Vogezen fietste op hellingen van 10%, wat heb ik daar dan aan in het vlakke land? Jaren heb ik geëxperimenteerd met tandwielen, vanuit mijn naar ik nu weet achterhaalde ideeën over tandwielen en schakelen. Ik weet nu dat je de ketting best schuin mag laten lopen, moderne kettingen zijn zoveel beter en soepeler dan de kettingen van vroeger. Je kunt de 11 en 12 gebruiken met je kleine voorblad, en met het grote blad kun je ook de 23 rijden. Er ging een wereld voor me open.

Waar je vroeger een zeer beperkte keuze in verzetten had, je had er effectief zes, waarbij je dan ook met de voorderailleur moest schakelen, heb je nu meer verzetten zonder dat je met het voorblad hoeft te schakelen. Je hoeft ook niet als je op vakantie naar Frankrijk gaat andere tandwielen te monteren, zoals we vroeger deden, want met 39-23 kom je de meeste bergen wel op. Tenminste, als je 20 bent.

Wat ik geleerd heb is dat als je een tijdje weg bent uit een vakgebied (of uit een sport of hobby) je teveel mist van wat er intussen is gebeurd. En als je lang genoeg weg bent geweest is de afstand die je hebt tot de huidige stand van zaken zo groot dat je niet gemakkelijk weer aansluiting vindt. En dus ben je dan jaren bezig om uit te vinden dat de fietsen die ze tegenwoordig verkopen optimaal zijn ingericht en afgesteld. Alleen, je moet niet naar moderne racefietsen kijken met de ogen van vroeger. Je moet weten hoe en waarom racefietsen nu anders zijn. Je moet leren goed gebruik te maken van een moderne fiets.

Natuurlijk had ik toen ik mijn nieuwe fiets had gekocht meer met anderen moeten fietsen, meer onderzoek moeten doen, vaker koffie moeten drinken met wielrenners, om me in te leven in de veranderde wielren-wereld. Maar ja, ik was nu eenmaal gewend om in mijn eentje te trainen, en wedstrijden zijn er voor mijn leeftijdscategorie niet.

PS. Je kunt in dit stukje voor “wielrennen” natuurlijk iedere sport of ieder vakgebied invullen. Je kunt voor “fiets” iedere technologie invullen. Altijd geldt dat als je ergens langere tijd uit bent, je teveel kennis mist om er naadloos en zonder hulp weer helemaal in te komen.

Blog

Biomassa is niet groen

foto van wikimedia

Mensen zeggen dat het verbranden van hout (“biomassa”) circulair is en dus goed voor het klimaat. Het argument is dat het hout dat wordt verbrand eerst CO₂ uit de lucht heeft opgenomen die later bij het verbranden dan weer wordt uitgestoten. Wat er gebeurt is

  1. Je plant een bos en laat dat dertig jaar groeien. De bomen nemen een hoeveelheid CO₂ uit de lucht op.
  2. Je verbrandt het bos in een centrale, waarbij dezelfde hoeveelheid CO₂ wordt uitgestoten die het bos had opgenomen.
  3. Je hebt geen hout of bos meer over.

Vergelijk je dit met het stoken van aardgas:

  1. Je plant een bos en laat dat dertig jaar groeien. De bomen nemen een hoeveelheid CO₂ uit de lucht op.
  2. Je verbrandt aardgas in een centrale waarbij de uitstoot van CO₂ de helft is wat het bos heeft geproduceerd.
  3. Je hebt nog een bos over dat CO₂ blijft opnemen, of dat je kan kappen zodat je een grote stapel timmerhout overhoudt.

Vergelijk je beide modellen, dan wordt bij houtverbranding en gasverbranding dezelfde hoeveelheid energie geproduceerd. Bij houtverbranding wordt netto geen CO₂ uitgestoten of opgenomen, terwijl bij gasverbranding netto CO₂ wordt opgenomen uit de atmosfeer.

De mensen die houtverbranding “circulair” noemen, beargumenteren dat door in het houtmodel een bos te planten en dat in het gasmodel slinks weg te laten. Met scheve vergelijkingen kun je alles bewijzen. Het verbranden van hout is op geen enkele manier goed voor het klimaat.

Blog

Hernieuwbaar is niet groen

In 1972 publiceerde de Club van Rome het rapport “Grenzen aan de groei”. Het belangrijkste wat ik me herinner van dat rapport is de constatering dat delfstoffen en dus fossiele brandstoffen eindig zijn, kwa hoeveelheid. Als we doorgingen met olie en kolen verstoken, dan zou het op een gegeven moment op zijn, en wat dan?

Een oplossing voor dit probleem is het gebruik van “hernieuwbare” brandstoffen, dat wil zeggen, brandstoffen die we niet opgraven uit de aarde maar die we kunnen bijmaken. Dat is windenergie, of houtverbranding. Zonnecellen waren in de jaren ’70 al wel uitgevonden, maar pas in de jaren ’80 ging men bruikbare zonnecellen maken met een zinvol rendement.

We zijn nu vijftig jaar verder en de steenkool en olie zijn nog niet op. De wereldeconomie is minstens zoveel gegroeid als dat men indertijd dacht, maar er blijkt ook meer fossiele brandstof in de aarde te zitten dan gedacht. Het feit dat de hoeveelheid fossiele brandstof eindig is, blijkt niet zo’n probleem.

Wel een probleem is de hoeveelheid koolstof-dioxide (CO₂) in de atmosfeer. CO₂ en andere “broeikasgassen” zorgen dat de dampkring van de aarde opwarmt. Dat komt hierdoor: de zon verwarmt overdag de aarde met zichtbaar licht, dat door de dampkring het aardoppervlak bereikt. De aarde straalt die warmte ook weer uit, in de nacht, als microgolfstraling (warmtestraling). CO₂ (en andere broeikasgassen) laten het zichtbare licht van de zon probleemloos door, maar vangen de warmtestraling op, waardoor die niet de atmosfeer verlaat. Hierdoor warmt de atmosfeer geleidelijk aan op.

Hoe meer CO₂ (en andere broeikasgassen, ik zal dat verder niet expliciet steeds noemen) er in de atmosfeer is, hoe sneller de aarde opwarmt. Het enige wat belangrijk is voor de opwarming is het CO₂-gehalte van de lucht. Waar die CO₂ vandaan komt is niet relevant. Of die CO₂ uit een “cyclisch” proces komt of niet, doet er niet toe. Het CO₂-gehalte van de lucht is wat telt.

Willen we met ons allen minder CO₂ uitstoten, dan moeten we minder brandstof verbranden. De belangrijkste bron van CO₂ in de atmosfeer is het verbranden van fossiele brandstoffen als steenkool, olie en aardgas. Vandaar de terechte roep om steenkoolcentrales te sluiten en minder voertuigen met verbrandingsmotoren op de weg en in de lucht te hebben.

En daar lijkt er ergens iets mis te zijn gegaan in de terminologie. In “Grenzen aan de groei” ging het erom fossiele brandstoffen te vervangen door hernieuwbare brandstoffen, die niet de aarde zouden uitputten. Bij het beperken van de CO₂ uitstoot gaat het niet om het “hernieuwbare” effect, maar om de hoeveelheid CO₂. Terwijl het gebruikt van biomassa voor de Club van Rome een goed idee was, het stopt immers de uitputting van de aarde, is het voor de opwarming van de aarde juist helemaal geen goed idee. Het verbranden van hout of alcohol geeft meer CO₂ dan het verbranden van steenkool of olie, omdat hout en alcohol een lagere verbrandingswaarde hebben. Hout is wel hernieuwbaar, maar tegelijkertijd is het verbranden ervan zeer slecht voor het milieu.

Op dezelfde manier is het gebruik van aardgas voor de uitputting van de aarde even slecht als het verbranden van steenkool of olie, maar voor de opwarming van de aarde is aardgas veel beter. Immers, het verbranden van aardgas produceert half zoveel CO₂ per hoeveelheid opgewekte energie als steenkool, olie of hout.

Het woord “hernieuwbaar” moeten we dus niet meer gebruiken. Ons probleem is immers allang niet meer de uitputting van de aarde, ons probleem is de opwarming van de aarde. De oplossing is het drastisch verminderen van de netto uitstoot van CO₂. En hoe we dat doen maakt niet uit. Voor iedere vorm van energie-opwekking kun je uitrekenen wat de netto uitstoot van CO₂ is per Joule per seconde, of per megawattuur per jaar. Hoe lager die uitstoot is, hoe minder de aarde opwarmt. Hoe “groen” energieopwekking is wordt bepaald door dat getal, de hoeveelheid netto geproduceerde CO₂ per tijdseenheid per energiehoeveelheid. Hoe “hernieuwbaar” die energieopwekking is, is voor de opwarming van de aarde in het geheel niet relevant.

Sommige mensen zeggen “hout verbranden is CO₂ neutraal want de geproduceerde CO₂ is eerst door het hout uit de lucht opgenomen”. Dat is een drogreden. Er is eerst CO₂ opgenomen, dat klopt, maar of je na die opname van CO₂ door het bos de bomen verbrandt of dat je steenkool verbrandt, doet niet ter zake – behalve dan dat als je de bomen omhakt, het bos geen CO₂ meer opneemt. Het enige wat telt is de netto hoeveelheid CO₂ per seconde die er in de atmosfeer bijkomt. Of afgaat. En die hoeveelheid is bij het verbranden van steenkool net iets kleiner dan bij het verbranden van hout.

Aardgas is fossiel, en in het kader van de hernieuwbare brandstoffen van de grenzen aan de groei is het verbranden van aardgas precies even slecht als het verbranden van olie of steenkool. Echter, kijk je naar de klimaatopwarming en dus naar de netto uitstoot van CO₂ per joule per seconde, dan is de uitstoot van CO₂ door aardgasverbranding de helft van die van olie of steenkool. Je mag dus tweemaal zoveel energie opwekken met aardgas, vergeleken met steenkool, voor dezelfde opwarming van het klimaat.

En als je dat constateert, is het onbegrijpelijk dat in ons land het aardgas moet verdwijnen, terwijl het verbranden van hout en alcohol (biobrandstof) gesubsidieerd wordt of verplicht wordt. Er wordt 5% of 10% alcohol bijgemengd bij de auto-benzine. Alcohol heeft een lagere verbrandingswaarde dan benzine, je auto gaat er dus minder zuinig van lopen en produceert meer CO₂ per kilometer. Omdat de netto uitstoot van CO₂ het enige is wat telt, voor de opwarming van de aarde, is het verplichte bijmengen van alcohol in de benzine dus slecht voor het klimaat. Als je een wat oudere auto hebt, is het ook slecht voor de motor van je auto.

Ik stel voor om het woord “hernieuwbaar” niet meer te gebruiken. In plaats daarvan geven we dan bij iedere vorm van energieopwekking aan wat de netto uitstoot van CO₂ is per seconde per Joule. Waarbij we dan de uitstoot kunnen verminderen door naast het verbranden van aardgas eenzelfde bos aan te planten als wat we voor biomassa zouden doen en de CO₂ opname van dat bos verrekenen met de uitstoot van de centrale. Voor alle energie die we produceren rekenen we uit wat het “groen-getal” is, dat wil zeggen, de CO₂ uitstoot, verminderd met de compensatiemaatregelen die we treffen in de vorm van aanplant of niet omhakken van bos. Dan zal blijken dat de klimaat-agenda van onze overheid grondig herschreven moet worden.

Blog

De Cambrische Papaver

Toen ik nog thuis woonde, mocht ik in een hoekje van de tuin wat tuinieren. Ik plantte plantjes die ik van buren kreeg, ik plantte plantjes uit de natuur, ik zaaide van alles uit de natuur, ik zaaide zelfs vogelzaad. Dat werden mooie grote planten, waar mijn ouders niet onverdeeld blij mee waren maar die toch nooit enige marihuana van betekenis hebben opgeleverd.

Mijn principe bij het tuinieren, al van jongsaf aan, was dat de natuur de beste tuinier is en dat je de mooiste tuin krijgt als je alles maar wat laat begaan. Planten en zaaien is ok, maar wat de natuur er dan zelf bij zet is ook mooi. En vooral, dat wat de natuur in je tuin zet groeit goed want anders kwam het daar niet op. En terwijl mijn vader met een schoffel bezig was het onkruid uit de tuin te verwijderen, stond ik pal voor mijn plantjes. “Onkruid” is immers een synoniem voor “inheemse planten”, de plantjes die het nu juist goed doen in je tuin omdat ze inheems zijn.

In 1973 kocht ik een boek met de titel “Natuur uitschakelen, natuur inschakelen”, van Louis Le Roy. Le Roy was kunstenaar en tuinarchitect, hij werkte vanuit het principe “laat de natuur haar werk doen” en beschreef in het boek zijn principes en werkwijzen. Een belangrijk principe was dat wat ik ook al deed: je kunt zaaien en planten maar je haalt niets weg wat de natuur zelf plant en zaait. Een tweede principe was dat alles met begroeiing bedenkt moet zijn. Dat is wat vanzelf gebeurt, en begroeiing is goed voor de kwaliteit van de grond: ze beschermt tegen uitdroging door de zon, ze houdt water vast en zet mineralen uit de grond om in humus. Plantjes, en vooral bloeiende plantjes, zijn ook veel mooier dan zwarte aarde. Ik zag dat, als ik de perkjes met afrikaantjes en vooral veel zwarte aarde die mijn moeder maakte, vergeleek met de dwerg-ereprijs, ooievaarsbekjes en vogelwikke die moeder natuur mij had geschonken in mijn hoekje.

Le Roy gebruikte een aantal plantesoorten die goed voor de grond zijn en die snel groeien zodat alles snel bedekt is. De beste plant om mee te beginnen is de brandnetel. Die hoef je niet te zaaien, die komt vanzelf, en hij staat erom bekend veel stikstof uit de grond om te zetten en vast te houden. In de huidige tijd een belangrijke plant dus. Na een aantal jaren verdwijnen de brandnetels weer, om plaats te maken voor andere planten, die dan weer plaats maken, en zo voorts. Uiteindelijk, als de natuur haar gang mag gaan, heb je een bos, met eiken, of zelfs beuken. Afhankelijk natuurlijk van waar je woont, in Finland krijg je naaldbomen, geen beuken, en in de tropen krijg je palmen. Het principe blijft: de begroeiing ontwikkelt zich totdat er een stabiel evenwicht is met de meest “ontwikkelde” soorten van de regio.

De plant die mij het beste is bijgebleven uit het boek is de Cambrische Schijnpapaver. Le Roy zaaide die overal, omdat het een inheemse plant is die het goed doet en fraaie gele bloemen geeft.

Toen mijn zus verhuisde, jaren terug, naar het huis waar ze nu woont, bleek dat in de tuin bij haar nieuwe huis spontaan gele bloemen opkomen (zie foto), en ik herkende onmiddellijk de Cambrische Schijnpapaver, de Meconopsis Cambrica. Ik zocht ze online op voor mijn zus, en wat bleek? De Cambrische Schijnpapaver was inmiddels gepromoveerd tot Papaver. Hij heet nu de Papaver Cambricum, in 2011 hebben moleculair biologen ontdekt dat hij toch bij het geslacht Papaver hoort, waar Linnaus hem oorspronkelijk ook al had ingedeeld. Cambrische Papaver dus. Heel mooi, want papavers zijn allemaal mooi, de dieprode klaprozen langs in de berm, de papavers in de tuin, de witte slaapbollen in Turkije en de papavers die opkomen uit het maanzaad dat je zaait. Van mijn neefje had ik indertijd papaverzaad gekregen – hem kennende waren dat pure opiumpapavers – waar prachtige witte enkelbladige klaprozen uit kwamen, die een jaar later waren vermengd tot gevulde (niet enkelbladige) klaprozen in diverse tinten roze.

Vorige week heb ik mijn zus gevraagd of ik aan het eind van de zomer zaadjes van de Cambrische Papaver kan krijgen. Ik heb geen tuin, ik woon in een apartement op tien hoog, maar ik kan aan de huisbaas vragen of ik in de perken op de binnenplaats bloemen mag zaaien. Gele Cambrische papaver, en rode klaprozen. En ik kan vragen of een enkele brandnetel mag blijven staan, als monument voor Le Roy, en om de “stikstofcrisis” te helpen bestrijden.

Blog

Hoe digitale democratie kwam….. en weer ging.

De Digitale Stad was een experiement met internet en democratie dat op 15 januari 1994 van start ging. Georganiseerd door debatcentrum De Balie, gefaciliteerd door de Stichting Hacktic (later XS4ALL) en met een beetje subsidie van de Gemeente Amsterdam, zou het experiment zes weken gaan duren. Het werd zo’n succes dat het niet na zes weken gestopt kon worden, het zou een aantal jaren duren. Het belangrijkste dat De Digitale Stad (DDS) heeft bereikt, in zeer korte tijd, is dat het internet veranderde van een universitair en technisch computernetwerk naar een virtuele gemeenschap van burgers. En terwijl de meeste journalisten en “deskundigen” het hadden over “de informatie snelweg” en “informatie overload”, werd in DDS duidelijk dat informatie niet de kern was van het internet. De essentie van het internet was, of werd onder invloed van DDS, communicatie en community. DDS was het eerste social medium. DDS was het eerste chat-platform dat breed voor burgers beschikbaar was. DDS was het eerste forum voor de burger. Gebaseerd op technologieën als IRC en Usenet, die niemand zich nu nog herinnert.

Het techno-optimisme overheerste de discussies. In de forums, maar ook op de debat-avonden die er op zaterdagavonden in De Balie door DDS werden georganiseerd, ging het over hoe het internet zou mogelijk maken dat iedere burger actief participeert in de democratie. Immers, via het internet zou iedere policicus/ca eenvoudig bereikbaar zijn en kunnen meeluisteren en debatteren in de forums van de burgers. DDS demonstreerde op de allereerste avond een multimediale aanpak waarbij Diane Ozon via Salto TV een uitzending presenteerde vanuit De Balie waar ze jongelui interviewde die in De Balie zaten te chatten via DDS. Thuis keken mensen naar Ozon op TV en naar de chat op hun laptop. Ozon reageerde op een chat van een internetter die in beeld verscheen en bespraak de chat met de jongelui die ze interviewde. En wij dachten gelijk: dat zou in de Tweede Kamer ook kunnen. De burger zou via chat, forums, radio en TV interactief in het parlement aanwezig kunnen zijn.

Er is veel goeds voortgekomen uit De Digitale Stad. Heel veel mensen hebben in DDS geleerd een web site te maken, geleerd te programmeren, geleerd hoe je met digitale media marketing bedrijft, hoe je internet gebruikt voor je onderneming. Zelf raakte ik betrokken bij projecten in en voor het onderwijs. Met Joost Flint en Rob Rapmund werkte ik in projecten voor het BVE onderwijs (Beroepsonderwijs en Volwassenen Educatie, de grootste sector in het onderwijs), projecten waarin docenten leermiddellen ontwikkelden op internet en in het algemeen experimentereden met het inzetten van internet in het onderwijs. Eerst heette ons project het “BVE Plein” (de Digitale Stad was georganiseerd rond pleinen en huizen), later verzelfstandigde het als BVE-net, om uiteindelijk één van de peilers van Kennisnet te zijn.

Wat me uit die tijd het meest is bijgebleven is niet in de eerste plaats de snelle technologische ontwikkeling die we om ons heen zagen gebeuren, waar we middenin zaten, waarvan we zelf één van de motoren waren. Het meest is me bijgebleven het menselijke aspect van De Digitale Stad. DDS was niet voor niets een metafoor, en de bewoners van DDS slaagden erin om alle metaforen uit de stad, uit de samenleving, in DDS virtueel te verwezenlijken. Zoals er tegenwoordig kritiek is op burgemeester Halsema, was er toen kritiek op de “burgemeester” van DDS, Marleen Stikker. Ze was voorzitter van de Stichting DDS – ze had er een hekel aan om “burgemeester” genoemd te worden – en zag zich zich genoodzaakt om via één van de forums een toespraak te houden. Er werd ineens door bewoners een Digitale Metro gebouwd. Het fanatisme waarmee daaraan werd gewerkt laat moderne gameverslaving in het niet vallen. Er waren fikse discussies, maar er was eigenlijk nooit echt ruzie. Daar was het allemaal veel te leuk voor.

DDS was wereldwijd de eerste virtuele gemeenschap die breed voor burgers toegankelijk was, en ook druk werd bezocht. De allereerste virtual communitie was The Well, waarop Howard Rheingold zijn boek “Virtual Communities” heeft gebaseerd. Maar The Well was een kleine besloten buurtgemeenschap, DDS werd bevolkt door 60.000 bewoners, uit heel Nederland. Rheingold was nieuwsgierig naar DDS, hij is een keer op bezoek gekomen, er is ergens op internet nog een foto van een kringgesprek van Rheingold met wat prominente DDS bewoners.

DDS was een social medium. DDS droop van techno-optimisme en digitale idealen van de perfecte democratie. Dat idealen idealen zijn en perfectie niet bestaat, drong toen nog niet tot ons door.

DDS ontwikkelde zich van het text-only medium (zie afbeelding) in de tijd dat het www nog niet echt was ontwikkeld, tot een echte virtuele stad met pleinen en huizen en straten en prachtige graphics. In 1993 werd het mogelijk afbeeldingen te laten zien op web sites, in de loop van 1994 ging DDS ook WWW. DDS bood een web-editor aan, zodat je interactief je web site online kon updaten. Nu doet iedereen dat, maar naar ik me herinner was DDS de eerste die dat mogelijk maakte. Gaandeweg werd internet ook buiten DDS populairder, de bewoners van DDS waaierden uit over eigen bedrijfjes, internet projecten bij grote bedrijven, eigen web sites. Het was een soort logisch einde van DDS om na een paar jaar broedkamer van internet-creativiteit te zijn geweest, de kuikens de wereld in te sturen en zelf met pensioen te gaan.

Nog een poos bleef internet mooi en leuk en goed. Er waren steeds meer web sites, van hobbyisten voornamelijk, en van early adopter bedrijven. De kentering kwam toen ook grotere bedrijven internet als medium ontdekten. Grote bedrijven met grote budgetten overvleugelden de hobbyist die in de avonduren aan een web site werkte. Internet werd meer commercieel, en minder leuk. Begin 1995 werd Yahoo opgericht, aanvankelijk als een directory van web sites, toen met een zoekmachine, en steeds meer als social medium. Via een beursgang in 1996 waren ze niet veel later instaat miljarden-overnames te doen. Het grote geld maakte uiteindelijk toch de dienst uit.

Kijk je vandaag de dag naar social media, dan is het moeilijk de overeenkomsten te zien met het gezellige dorpsplein van De Digitale Stad, waar geen onvertogen woord viel. Begin jaren ’90 zag je op usenet wel eens de tekst “on the internet, nobody knows you’re a dog”. Met een cartoon erbij van een hond die zit te internetten. Toendertijd was de slogan voor meerderlei uitleg vatbaar, tegenwoordig kun je de tekst maar op één manier opvatten: iemand die anoniem of althans onzichtbaar achter een computer zit te typen mist de schroom om een ander te beledigen. Ik ben geen psycholoog of socioloog dus ik ga geen wetenschappelijke verklaring zoeken, maar dat je in een gesprek in levenden lijve met een persoon meer schroom en remmingen hebt om nare dingen te zeggen dan achter een beeldscherm, dat lijkt me duidelijk. Vroeger zou je in de tram na de verkiezingsoverwinning van D66 ongetwijfeld gehoord hebben “nou, die Kaag lijkt me niks” maar wat je nu op Twitter over mevrouw Kaag voorbij ziet komen leent zich niet voor citaten. Mijn techno-optimisme uit 1994 staat nu zwaar onder druk. Maar het is nog erger.

In 2004 is Facebook opgericht, gevolgd door Twitter en andere social media. En Facebook bleek de duivel in digitale vermomming. Op Facebook zie je berichten van je “vrienden”, dat wil zeggen van de mensen met wie je op Facebook hebt geconnect. Oorspronkelijk zag je die berichten gewoon op volgorde van datum, ze kwamen binnen zoals ze binnenkwamen. Op enig moment, ik weet niet meer wanneer, besloot Facebook dat het niet handig was als je alle berichten op chronologische volgorde zou zien, maar dat gebruikers blijer zouden worden als ze meer leuke berichten zouden zien en minder niet leuke. “Leuk” is hier dan gedefinieerd als “heeft een like gekregen van een aantal van je vrienden”. Ik ben vrij fanatiek tegen kwakzalverij en bedrog, maar toen twee van mijn “vrienden” een paar antivax berichten hadden geliket, kreeg ik ineens alleen nog maar antivax berichten en geen normale feitelijke informatie meer. Ik zat in een bubbel, in een heel foute bubbel. De paradox is dat dit niet in de eerste plaats de schuld is van Facebook. Facebook wil geld verdienen, dat doen ze als klanten tevreden zijn, en de gemiddelde klant is het meest tevreden als er alleen leuke berichten op het scherm komen en geen nare berichten. Zoals veel mensen liever roddelbladen lezen dan kranten met echt nieuws. Het is dus uiteindelijk de gebruiker zelf die kiest voor bubbels en nepnieuws. Ik ben allang van Facebook af, ik zit wel op Twitter om dan toch nog één social medium te volgen, ook daar krijg je standaard alleen de “leuke” berichten. Waar je in 2008 berichten van vrienden en collega’s in je tijdlijn zag, zie je nu alleen berichten van TV persoonlijkheden en andere beroemde mensen. Stel je je tijdlijn in op “chronologisch”, dan verandert Twitter dat na een week weer in “alleen beroemdheden”.

Wat social media, en internet in het algemeen, nu karakteriseert zijn drie dingen: iedereen zit in een bubbel met nepnieuws, iedereen kan zonder schroom want onzichtbaar en anoniem de grofste beledigingen uiten en Jan en alleman zit op internet. Dat laatste klinkt misschien wat raar, wat ik bedoel te zeggen is dat pre-internet niet iedereen zomaar een ingezonden stuk in de krant kreeg. Niet iedereen schreef een brief, en er zat een filter voor in de vorm van de redactie van een krant.

Marleen heeft een boek geschreven, “Het internet is Stuk” met als ondertitel “maar we kunnen het maken”. Met de titel ben ik het van harte eens, de ondertitel onderschrijf ik niet. De Facebook-geest is uit de fles (en dan bedoel ik Facebook en al die andere manipulerende tech bedrijven) en geesten krijg je in het algemeen niet zomaar weer in de fles. Zeker niet als zo’n geest honderden miljarden verdient voor zijn aandeelhouders. En helemaal niet als een meerderheid van mensen het wel comfortabel vindt in de bubbel met gelijkgestemden.

Ik weet zeker dat antivax en anticorona groepen voortkomen uit de bubbels van social media. Waarbij mensen die op social media hebben geleerd dat haatspraak onbestraft blijft, ook in staat blijken die haatspraak te uiten op het Malieveld. En terwijl haatspraak op Twitter niet zo gauw tot fysiek geweld leidt – ik lees geen berichten over in elkaar geslagen laptops – gebeurt dat op het Malieveld wel. De nepwerkelijkheid die door de manipulatie van Faceboek c.s. is gecreëerd, wordt door de boze burger getransformeerd in een heel echte werkelijkheid waarin agenten in het ziekenhuis belanden, autos in brand vliegen en winkels worden geplunderd. Dat is de ultieme paradox: waar we in DDS de werkelijkheid als metaforen in de digitale wereld hadden geïntroduceerd, heeft de duivel zijn eigen versie van de digitale wereld teruggespuugd in onze echte wereld.

Ik was vroeger een groot fan van Marten Toonder. En het meest van dat ene gevleugelde zinnetje dat Bommel uitsprak als de duivel in de gedaante van Hocus P. Pas ineens uit het niets verscheen: “Tom Poes, verzin een list!” Ik zie geen uitweg uit de rattenval die social media en internet in het algemeen blijken te zijn, dus roep ik hier wanhopig uit: “Marleen, verzin een list!”