Blog

Vermogensmeter op de fiets

Toen ik vroeger wedstrijden fietste hadden we geen fietscomputers, die bestonden niet, we wisten dus niet hoe hard we precies fietsten of hoe hoog onze hartslag was, laat staan hoeveel vermogen we trapten. In 2010 heb ik een nieuwe fiets gekocht. En een Polar fietscomputer, eentje die stand-alone was, niet gekoppeld aan telefoon, internet of gps. Het was een openbaring. Fietsen terwijl je je hartslag en cadans in de gaten houdt, trainen op hartslag en cadans in plaats van op snelheid op het gevoel. De Polar ging eind vorig jaar stuk (hoewel, ik heb hem inmiddels weer gerepareerd) en toen heb ik een Garmin gekocht, die synced met Strava. Handig dat ik daardoor ook hartslaggegevens e.d. op Strava zie.

In 2019 had ik als freelancer wel een goed jaar en dus besloot ik het serieuze sporten een stapje verder te voeren: ik heb een vermogensmeter gekocht. Achteraf geen goede keuze, financieel gezien, dit jaar heb ik door corona helemaal niet gewerkt.

Als ik iemand zeg dat ik een power meter heb, of als iemand ‘m op mijn fiets ziet, dan zie ik veel mensen wat meewarig kijken, van “een vrouw van 60+ die zo nodig een power meter moet?”. Ik laat ze rustig meewarig kijken. Ik ben wel blij met de power meter. Zo’n meter dient niet om te weten of je 150W of 151W kan trappen. Zo’n meter geeft je met name inzicht of je met je trainingen goed bezig bent. Na iedere rit zegt de Garmin app hoe effectief mijn training is geweest, zowel voor mijn aerobe als de anaerobe conditie.

Het plaatje rechts laat zien dat mijn training voor het aerobe effect heel goed was, maar dat ik anaeroob niets heb gedaan (oranje is “heel goed”, grijs is “duh”). Dat klopt, ik heb rustig gefietst met een paar stukjes stevig doortrappen tegen de wind in.

Deze training was anders: zes intervallen van een minuut zo hard als ik kon en verder niets. Goed voor de anaerobe conditie, en de aerobe conditie lift mee (groen is “goed”).

De derde training was qua anaerobe training ok, maar als aerobe training had ik “overreached”. Te hard getraind, blijkbaar (blauw is “ok”, rood is “wtf?”).

Deze plaatjes geven weer wat ik nuttig vind aan het meten van vermogen en andere parameters tijdens een training: waar ik vroeger op goed gevoel soms intervallen deed, soms een intensieve training en soms wat rustig uitbollen, weet ik nu precies wat het resultaat is van een training en kan ik naarmate ik verder kom steeds beter inschatten hoe ik moet trainen om optimaal effect te hebben. Zo ben ik nu op zoek naar het bovenste plaatje maar dan met links en rechts verwisseld. Of misschien kan dat niet, train je altijd ook aeroob als je internvallen doet.

Is het nuttig, meten en daardoor meer gericht trainen? Dat hangt ervanaf wat je “nuttig” vindt. Als ik mijn hart-long conditie als 60+er op peil wil houden, volstaat het om twee of drie keer per week een klein rondje rustig te fietsen. Als ik “nuttig” definieer als “ik wil de conditie houden/terugkrijgen om te wielrennen”, dan moet ik veel trainen en meten. Als ik “nuttig” definieer als “leuk met mijn sport bezig zijn”, dan geldt hetzelfde. Vroeger fietste ik wedstrijden omdat het heel leuk is, maar ook om de motievatie te houden om te trainen. Als het regent kun je denken “ik ga vandaag niet” maar als je dan zondag een wedstrijd hebt (bij de KNWU moet je als je inschrijft ook verplicht aan de start verschijnen) dan moet je wel trainen, ook als het regent of hagelt. Zo heb ik dat nu ook een beetje. Als ik fietsen vrijblijvend beschouw, dan heb ik al snel dat ik niet ga als het koud is of regent, of als ik nog werk te doen heb, of nog een boek wil uitlezen. Nu ik een trainingsplan voor mezelf heb, voel ik me verplicht om minimaal die 200-250km per week te fietsen, en ook zo te fietsen dat mijn conditie er iets aan heeft. Vandaar dus een fietscomputer met hartslag en cadans e.d. En vandaar een vermogensmeter, zodat ik weet hoe effectief ik train. Waar ik me dan overheen moet zetten is als ik hoor hoeveel vermogen Van de Breggen of Van Vleuten trappen, en hoeveel ik trap. Wat me dan wel weer benieuwd maakt hoeveel vermogen ik trapte toen ik 30 was.

Wielrennen is heel leuk, en heel zwaar. Vroeger vond ik wedstrijden altijd wel gezellig. Met name de trainingswedstrijden op zondagochtend aan het begin van het seizoen, februari en maart, met de hele vereniging, jongens en meisjes, jong en oud, in Weesp anderhalf uur rondjes fietsen op een hobbelig klinkerparcours. “Gezellig” klinkt paradoxaal. Als je het zwart voor je ogen fietst en je benen zeer doen en je geen lucht meer krijgt, dan denk je wel ‘s “waarom in vredesnaam doe ik dit?” maar als je afstapt en wat bent bijgekomen dan denk je “dat was cool!”.

Soms kriebelt het. Dan denk ik “ik zou best weer ‘s een wedstrijd willen rijden”. Ik las dat Tim Krabbé (die was er die zondagochtenden ook altijd bij) 60+ wedstrijden reed, maar die zijn er niet voor vrouwen. De zondagochtenden wordt er in Weesp ook niet meer gefietst, de vereniging bestaat niet meer en het industrieterreintje waar we fietsten is nu actief in gebruik, daar kun je niet meer fietsen. Nu ben ik lid van de Fietsbelles, dan fietsen we op dinsdagavonden een rondje door de polder.

Maar het blijft kriebelen….

Blog

Ik wil een kleine high-end telefoon

De fijnste telefoon die ik heb gehad was de HTC Magic. Ik had de developer versie daarvan, de Ion. Hij was klein, had een snelle cpu (voor die tijd dan) en een goed scherm. Prima telefoon. Hij was klein, glad, afgeronde hoeken, je kon ‘m makkelijk in je hand houden of in je zak steken. Het was ook de high-end Android telefoon van HTC.

Vandaag de dag kun je zulke telefoons niet meer kopen. Je hebt voor een Android telefoon de keuze tussen een high-end telefoon, die heel groot is, of een kleine telefoon, die dan een trage cpu heeft en weinig geheugen. Of althans, ik kan zo’n telefoon niet vinden. De beste die ik nu heb gevonden is de Pixel 4, die heeft goede specificaties en is relatief klein, maar wel twee keer zo groot als de Ion.

Waarom kan ik niet een telefoon kopen die zo klein en handzaam is als de Magic/Ion, maar wel met de snelste cpu die bestaat, en een machine learning chip erin, en een scherm met hoge resolutie? En met 5G? Is het echt zo dat mensen die een goede telefoon willen, dan ook per se een grote telefoon willen?

Lieve telefoon-fabrikanten, maak eens een kleine snelle telefoon. Je doet er veel mensen een plezier mee.

Blog

Mondkapjes?

Gisteravond in Op1 op NPO1 werd druk gediscussieerd over mondkapjes. Het kabinet heeft ze een paar uur eerder niet verplicht gesteld, terwijl iedere leek ervan overtuigd is dat ze verplicht moeten zijn. De presentatoren en gasten aan tafel droegen geen mondkapjes. Ze zaten met z’n tienen in een niet zo kleine maar ook niet zo grote ruimte, een uur lang naar elkaar toe te ademen. Er was ongetwijfeld ventilatie, maar ik zag geen kleding wapperen dus het was bescheiden ventilatie. Ze ademden naar elkaar toe, en omdat uitgeademde lucht iets warmer is dan de kamertemperatuur stijgt die uitgeademde lucht boven de tafel op, om langs het plafond en dan langs de wanden weer naar beneden te gaan. Richting tafel, richting mensen. Als één van de mensen aan tafel besmet was geweest, dan was de kans zeer groot geweest dat de meeste aanwezigen besmet waren geraakt, niet omdat ze te dicht bij elkaar zaten maar omdat ze een uur lang samen aan tafel zaten. Maar ze droegen geen mondkapjes.

Een supermarkt is heel anders dan een studio. In de supermarkt kom je meer mensen tegen, maar je komt ze maar één of twee keer vluchtig tegen, in het voorbijlopen, je houdt afstand, het besmettingsgevaar is klein. Ik ben er vrij zeker van dat als er een besmet persoon rondloopt in de supermarkt, je kans om besmet te raken klein is. Je bent immers maar één of twee keer, of nul keer, heel even bij zo iemand in de buurt. Toch is iedereen ervan overtuigd dat het kabinet mondkapjes in supermarkten verplicht moet stellen.

Ik stel voor dat iemand gedegen onderzoek gaat doen naar het besmettingsgevaar op allerlei locaties. In supermarkten, in vergaderkamers, in kerken en theaters, op de markt, op het terras, in het OV, overal. Dat onderzoek heeft twee onderdelen: onderzoek in de praktijk, op basis van informatie waar mensen daadwerkelijk met covid-19 besmet zijn, en onderzoek met modellen en metingen in het laboratorium.

Immers, als we weten waar mensen wel besmet raken en waar mensen niet besmet raken, kan het kabinet goed beleid maken waar mondkapjes en eventuele andere beschermingsmaatregelen effectief en dus gewenst zijn, en waar niet. Nu heb ik het idee dat het natte vingerwerk is, deels gebaseerd op andere argumenten dan medische of anderszins wetenschappelijke argumenten.

En ja, ik denk dat de studio veel groter was dan het zichtbare deel dus dat het risico kleiner was dan ik hierboven schets. De Op1 studio staat voor mij model voor iedere vergader- of andere ruimte waar mensen langere tijd samen zijn en praten. Om die reden zou Op1 best het goede voorbeeld mogen geven en mondkapjes dragen, als iedereen dat zo graag wil.

Blog

Corona-doden of privacy

Toen er voor het eerst sprake was van een corona app, in het weekend van de “appathon”, schreef ik wat stukjes hoe je volgens mij een goede corona-app maakt. Sindsdien zijn er meer dan duizend doden gevallen en is er nog geen corona-app die op grote schaal besmettingen voorkomt. Ik vind dat jammer.

Je kunt een app maken die effectief detecteert wie in de loop van een week bij jou in de buurt is, dicht genoeg en lang genoeg om je te besmetten. Dus als een persoon van de GGD te horen krijgt dat hij of zij besmet is, kan zo’n app binnen vijf minuten alle mogelijk besmette contacten een bericht sturen “je bent mogelijk besmet” en automatisch een afspraak plannen voor een test. Je krijgt dan een berichtje “je wordt vanmiddag om 3 uur bij de GGD verwacht voor een corona-test”. Dan hoeft de GGD geen bron- en contactenonderzoek meer te doen want mensen worden getest voordat dat onderzoek gestart is.

Maar zo is het niet gegaan. Onder invloed van “privacy experts” is de app die er is gemaakt een dermate slap aftreksel van wat zou kunnen dat die app geen bijdrage gaat leveren aan het bestrijden van corona. En omdat de GGD en de laboratoria nu onvoldoende capaciteit hebben om te testen en contact-onderzoek te doen, ligt effectieve bestrijding van corona een beetje stil. Ik vind dat jammer.

Privacy expert zeggen “met een app weet de overheid waar je bent”. Dat weet de overheid toch wel. “Met een app weet de overheid of je besmet bent met corona”. Is dat erg? Is het juist niet goed als de overheid onmiddellijk weet wie besmet is met corona?

“Met zo’n app gaan winkeliers en caféhouders mensen weigeren die besmet zijn met corona”. Ehm, is dat juist niet prima? Wie corona heeft moet thuisblijven en niemand ontmoeten, dat is de essentie van het bestrijden van de pandemie. En dat geldt dan niet alleen voor daadwerkelijk besmette mensen, maar ook mensen die “mogelijk besmet” zijn. Die moeten zich dan afzonderen totdat ze zijn getest. De privacy experts vinden dat dat een eigen keuze is van mensen, dat iedereen het recht heeft om ook als je mogelijk besmet bent, gewoon rond te lopen en anderen te besmetten. Men vind privacy belangrijker dan het voorkomen van ernstig zieken en doden.

“Ik vind mijn privacy erg belangrijk”. ‘Tuurlijk. Vandaar dat je facebook op je telefoon hebt zodat een tech bedrijf, en overheden en bedrijven wereldwijd, je in detail de hele dag kunnen volgen. Je hebt Google Maps op je telefoon, zodat tech bedrijven weten naar welke supermarkt je gaat. Je gebruikt Whatsapp, zodat Facebook en de Amerikaanse overheid precies weten met wie je wanneer hoe lang contact hebt. Je gebruikt Tiktok, zodat Chinese tech bedrijven en dus de Chinese overheid nog meer van je weten dan westerse overheden en tech bedrijven. Belangrijk hoor, die privacy.

En je hoeft niet eens zelf apps te installeren om je privacy te laten schenden. Ik heb geen Whatsapp, maar Whatsapp weet wel wie mijn telefoonnummer hebben, ze kennen dus al mijn vrienden en kennissen en familie. Als mijn vrienden mij via Whatsapp een SMS sturen, dan weet het hoofdkantoor van Facebook dat ook. Hetzelfde geldt voor alle andere apps die toegang hebben tot je adresboek. Mooi hoor, dat ik geen Whatsapp of LinkedIn-app heb om mijn privacy te beschermen.

Ondertussen klaagt iedereen over de economie die slecht gaat, de werklozen door corona, de horeca die ten onder gaat, bars die niet open mogen en evenementen die niet door mogen gaan terwijl het aantal corona besmettingen inmiddels weer oploopt. De GGD loopt vast met bron- en contactonderzoeken, de testcapaciteit blijkt zwaar onvoldoende, het bestrijden van corona loopt achter de feiten aan, maar een app die echt werkt, nee, dat willen we niet. Dan liever corona.

Blog

Mijn moeder had een wiskunde-knobbel

Mijn moeder was niet dom. Ze was wel wat men toen noemde “een streber” en ze bemoeide zich met van alles. Als we als gezin verhuisden, zat ze altijd binnen een maand in het bestuur van de tennisclub. Geboren in 1928 beleefde ze haar tiener-jaren in de oorlog, in Epe. Na de lagere school ging ze naar het gymnasium (dat hoorde zo in de familie) en omdat haar oudere broer Hein ook op het gymnasium zat was dat handig met de boeken. Hein deed Gymnasium Bèta, dus mijn moeder ging dat ook doen, dat scheelde in de kosten van de boeken. Mijn oma was alleenstaande moeder, mijn opa was in 1928 overleden aan difterie, een half jaar voordat mijn moeder was geboren. Mijn oma kreeg een weduwenpensioentje en werd goed ondersteund door met name haar schoonfamilie, maar rijk was oma dus niet. Het delen van schoolboeken lag voor de hand.

Op het gymnasium in Apeldoorn was een wiskundeleraar die vond dat meisjes geen wiskunde kunnen. Hij slaagde erin om mijn moeder daarvan te overtuigen, ze zei regelmatig “ik weet niets van wiskunde”. Toch slaagde ze erin de vijfde klas te bereiken, ondanks die wiskundeleraar, maar toen ze die klas voor de tweede keer had gedaan en toen weer bleef zitten (op wiskunde), stopte ze met het gymnasium. En ging dus ook geen vervolgopleiding doen, ze ging op kantoor werken.

Ik heb wel een wiskunde-talent. Dat uit zich bijvoorbeeld in het uitstekende ruimtelijk inzicht dat ik heb. Ik had altijd tienen voor stereometrie op het gymnasium. Ook voor de andere wiskundevakken trouwens. Ik merkte dat ruimtelijk inzicht een praktisch nut heeft in het huishouden. Als ik voor de kinderen chocolademelk maakte (cacao, suiker, hete melk) dan zette ik drie bekers op het aanrecht, of twee, of vier, afhankelijk van wie er thuis waren, dan goot ik uit de losse pols melk uit het pak in het pannetje, en als de melk kookte en ik ze uitgoot in de bekers, paste het altijd precies. Nooit teveel, nooit te kort. Of ik nou grote bekers had gepakt, of kleinere. Blijkbaar zie ik onbewust met een “wiskunde-oog” hoe hoog de melk in het pannetje moet staan om de bekers precies te vullen.

Ik vertelde dat aan mijn moeder. “Oh, zei ze, dat heb ik met thee. Ik doe water uit de kraan in de ketel, en als het kookt in de theepot, en ik heb altijd precies genoeg thee voor zoveel kopjes als er nodig zijn”. Ze vroeg ook altijd “wie wil er thee?” en “wil je één of twee kopjes?” Toen ik dat later aan mijn vader vertelde zei hij “als ik met je moeder een huis bekijk, bij vrienden of zo, dan weet ze altijd precies hoe het huis in elkaar zit, dan weet ze of ze in de slaapkamer dan boven de keuken is of boven de huiskamer. Ik moet daar altijd diep bij nadenken”.

Ik concludeer daaruit dat mijn moeder een talent had voor ruimtelijk inzicht, en dus voor wiskunde. In haar tijd moet ze een hoog IQ hebben gehad, want toen waren IQ tests vooral gebaseerd op ruimtelijk inzicht.

Mijn moeder had een wiskunde talent. Ik neem de wiskundeleraar op het Gymnasium van Apeldoorn tot op de dag van vandaag kwalijk dat hij met zijn achterlijke vrouwvijandige stomme idee dat meisjes geen wiskunde kunnen, mijn moeder heeft verhinderd het gymnasium af te maken en een mooie studie te doen.