Blog

“Jij moet naar de MTS”

Op de lagere school (dat heet nu “basisschool”) kreeg ik een beroepskeuzetest. Ik weet niet waarom, alle kinderen kregen dat, maar je bent dan natuurlijk veel te jong voor beroepskeuze. Ik denk dat ze bedoelden dat het een test was naar welk vervolgonderwijs je moest.

Ik deed wat testjes, het was een individuele test, niet klassikaal, en al snel begon de psychologe (of wat ze ook was) mij uit te leggen dat er naast het lager onderwijs/middelbaar onderwijs/hoger onderwijs ook technisch onderwijs was: de LTS, de MTS en de HTS. Ik was zo “technisch”, ik moest naar het technisch onderwijs. Mijn ouders waren wijzer, ik ging gewoon naar het gymnasium, en later ben ik afgestudeerd in de sterrenkunde. Het was niet bij de test-mevrouw opgekomen dat een kind heel technisch begaafd kan zijn maar ook slim genoeg is om natuur- en sterrenkunde te studeren.

Ik was wel “technisch”. Al heel jong had ik een klein schroevedraaiertje geconfisqueerd uit de gereedschapskist van mijn vader, en ik schroefde alles waar een schroefje in zat uit elkaar. Toendertijd zaten alle apparaten in elkaar geschroefd, tegenwoordig wordt het gelijmd en geklikt en is er voor een kind niets meer te onderzoeken. Wekkers moest je opwinden, ik had een doos vol mooie koperen tandwieltjes en mijn ouders moesten regelmatig een nieuwe wekker kopen. Ik heb dat altijd gedaan, ik schroef nog steeds graag dingen uit elkaar.

In mijn werk in de IT heb ik geen schroevedraaier nodig, anders dan bij onderhoud aan mijn eigen computer of laptop. Dankzij dat kleine schroevedraaiertje van vroeger ben ik nu niet bang een gloednieuwe laptop eerst open te schroeven en componenten te vervangen voordat ik ‘m voor het eerst aanzet om linux te installeren.

Ik ben software ontwikkelaar. Ik ben als programmeur begonnen bij een bank, ik was daar al snel projectleider van een innovatieproject, daarna ben ik een business unit AI begonnen bij een softwarebedrijf, ik deed de verkoop en het management, daarna werd ik consultant bij BSO en deed ik een groot project voor de directie van Aegon. Vanuit de AI kwam ik in het kennis management, ik deed een project bij de kennis-organisatie Kema, wat uitmondde in dat ik een hoofdstuk heb geschreven in het Kema jaarverslag van 1994 met de titel “Kennis op de balans”. Ik had voor de directie de waarde van de kennis van Kema uitgerekend en die waarde vergeleken met de financiële balans.

Daarna kwam ik terug in meer hands on IT werk, toen ik PayMate oprichtte in 1995. PayMate faciliteerde online betalingen voor webshops, inclusief 2-factor authenticatie. Maar niemand wilde dat, het bedrijf was geen lang leven beschoren.

Inmiddels werk ik meestal freelance. En daar merk ik dat het een probleem is als je meerdere zeer uiteenlopende vaardigheden hebt. Ik wordt gespot door een recruiter als android developer, en die is dan teleurgesteld als ik op mijn cv ook andere dingen heb staan dan android development. “Kun je al die niet-android dingen niet weglaten?”. En als er een klus is op een ander gebied is het al snel “je ervaring is te breed, je hebt te weinig referenties op gebied X”. Ja, dat klopt. Dat vond die test-mevrouw ook al: als je A kunt, mag je niet ook B kunnen.

Soms roei ik tegen de stroom in en dan zit ik in een project voor software development maar bemoei ik me ook met de marketing en met de sales en heb ik contact met klanten om ze te helpen en te horen wat ze van ons product verwachten. Dat gaat niet altijd goed. “Maar jij bent developer, jij moet alleen software maken”. Ik hoor weer de test-mevrouw praten.

In mijn hart zou ik het allemaal het liefst weer zelf doen, als ondernemer, met een team van slimme veelzijdige developers die ik niet hoef te vertellen wat ze moeten doen. Wat te doen? Er zijn er ideeën genoeg, er is immers genoeg te doen in de wereld.

Agile, Blog, Programming

Ontwerp voor fail safe

Bij de grand prix in Zandvoort is Sebastian Vettel komen stil te staan, er komt rook uit zijn auto. Hij rommelt met een brandblusser, marshals mogen er niet gelijk bij, en als er de rode vlag is, doen ze toch vrij weinig. Het duurt allemaal nogal lang voordat de auto wordt weggehaald. De commentator legt het later uit: “De brandweerman had bij de pit nagevraagd of er stroom op de auto stond, het antwoord was nee, maar hij kreeg toch een optater. De chef van het circuit heeft toen gezegd: als ik van de één te horen krijg dat er geen stroom is, en van de ander van wel, dan neem ik het zekere voor het onzekere: er staat stroom op de auto dus is er rode vlag”.

Dat is een vorm van het “fail safe” principe, ook wel genoemd “bij twijfel niet inhalen”. De circuitbaas kiest voor de oplossing die altijd veilig is, namelijk de aanname dat er stroom op de auto staat. Is dat zo, dan moet de race worden gestopt, is dat niet zo, dan kan het geen kwaad dat de race wordt gestopt. Zou andersom worden beslist, iets van “bij twijfel wel inhalen”, dan bestaat het risico dat de brandweer gaat spuiten en er iemand wordt geëlektrokuteerd.

Tijdens het natuurkunde bijvak in mijn sterrenkunde studie (ik heb in mijn doctoraalstudie veel elektrotechnische dingen gedaan) heb ik veel geleerd over “fail safe”. Ik deed onderzoek met een spectrograaf, een apparaat waarmee je licht kunt ontleden. Dat resulteert in een foto waarbij alle golflengten van het licht apart worden weergegeven. Bovenstaande illustratie is zo’n spectrum, gemaakt met één van de spectrografen waarmee ik heb gewerkt (ontleend aan het proefschrift van Ton Raassen). Het is een spectrum van UV licht, van rond 122nm golflengte. Ultraviolet licht wordt niet doorgelaten door de lucht om ons heen, dus de spectrograaf bevond zich in een grote tank die we vacuum konden pompen. De lichtbron was een staafje van een bijzonder metaal, Yttrium of Ytterbium of eén van al die bijzondere metalen. Omdat we een vonk lieten overspringen tussen twee staafjes Yttrium, en een vonk niet ontstaat als er geen lucht is om de elektriciteit te geleiden, moesten we een hoge spanning op de staafjes zetten zodat met het pietsebeetje lucht (het vacuum was niet perfect, dat kan niet op aarde) toch een vonk ontstond. Ik bediende dus een “plofkast” waar maximaal 10 kilovolt mee opgewekt kon worden en een stroom van een paar duizend ampère. Er was een trillingskring (je weet wel, een spoel, en condensator en een weerstand) om de vonk even gaande te houden. Je begrijpt dat een spoel voor 10kV en een paar duizend ampère een groot ding is: een flinke koperen pijp in een paar windingen gedraaid. De condensator was enorm, de weerstand ook.

De tank was een groot ijzeren ding waarvan de bovenkant hydraulisch omhoog kon zodat je de een fotografische plaat in de spectrograaf kon zetten. Achter de tank zat een vacuumpomp die werkte met een olie-scherm, en daarachter twee mechanische vacuumpompen. De spectrograaf had een tralie (een glazen plaat met streepjes die werkt als een prisma, maar dan anders). Dat tralie had een gouden coating en had zoveel duizend lijntjes per milimeter, en kostte iets van 20.000 gulden. Als de mechanische vacuumpomp uitviel, werd het oliescherm van de olie diffusiepomp in de tank geblazen en konden we het tralie weggooien. Als de hydraulica het begaf als ik net in de tank leunde kwam het deksel naar beneden en was ik doormidden. Als ik te dicht bij de plofkast kwam, was ik verdampt. Vandaar dat op vele manieren het fail safe principe was geïmplementeerd. Rond de hele opstelling stond een aluminium hek, dat goed was geaard. Als er ook maar het minste mis was met het hek, ging de elektriciteit uit. Op de plofkast zat een “schakelaar” die met perslucht werkte, en als de perslucht uitviel ging de schakelaar in de veilige stand, dat wil zeggen de elektra ging uit. Als de mechanische vacuumpomp uitviel, sloten onmiddelijk alle kleppen van de olie-diffusiepomp, zodat er geen olie in de tank kon komen. Er was een bedieningspaneel voor alle apparatuur, buiten het hek, als daar iets mee was, ging de hoogspanning uit en de kleppen op veilig. Alles in de hele installatie was zo ontworpen dat als er iets mis ging of stuk ging, niemand gewond kon raken en het tralie niet beschadigd kon raken. Het was ontworpen voor fail safe.

Natuurlijk heb je geen garantie. Toen ik op een middag lekker zat te ploffen merkte een collega op dat er vonkjes van het aluminium hek sprongen. We hebben alles gelijk stilgezet, en na grondig onderzoek gevonden dat het hek niet goed geaard was. Dikke koperen strips bleken niet genoeg aarde voor de hoge spanning. Ik kon een week niet ploffen omdat een installateur een nieuwe aardleiding moest maken in het grondwater. Diezelfde collega-student is er later in geslaagd toch een instelling te vinden waardoor de olie in zijn installatie (er waren twee spectrografen, hij werkte met de ene, ik met de andere, we gebruikten hetzelfde hek en plofkast) op het tralie belandde. Prof. Klinkenberg was daar niet blij mee.

Je verwacht dat wetenschappers allemaal begrijpen wat fail safe is. Niet alleen in het ontwerp van installaties (of sofware) maar ook bij het interpreteren van metingen en het nemen van beslissingen. Ik was daarom zeer verbaasd toen Jaap van Dissel het volgende zei over de mogelijkheid dat het coronavirus via aerosols verspreid kan worden. Hij zei “het is niet bewezen dat het virus via aerosols verspreidt dus we gaan daar niet van uit”. Huh? Fail safe zegt dat je als je iets niet weet, je van de veilige situatie uitgaat. Als je niet weet of een virus via aerosols verspreid raakt, is de veilige situatie die waarin mensen niet besmet raken, dus neem je aan dat het virus zich wel via aerosols verspreidt en neem je daar maatregelen tegen. Je kunt stoppen met die maatregelen als bewezen is dat het virus zich niet via aerosols verspreidt. Van Dissel verbaasde mij des te meer omdat er levens op het spel stonden, en staan. Als blijkt dat het virus zich via aerosols verspreidt, dan is dat in heel 2020 gebeurt, en zijn er weet hoeveel mensen besmet geraakt die niet besmet waren geraakt als Van Dissel iets had begrepen van fail safe.

Er komt natuurlijk meer bij kijken dan alleen “fail safe”. Bij de oude ADM werf in Amsterdam Noord hadden ze in het magazijn een snijmachine om metalen platen te snijden. Een enorm apparaat dat met een valmes zo een plaat doormidden sloeg. Het ding werd bediend met twee drukknoppen op ooghoogte op afstand van elkaar om te zorgen dat je beide armen uit de buurt had als het ding in werking was. Maar dat is natuurlijk onhandig, want dan kun je niet de plaat snel nog even recht leggen, dus zat er ineens een stuk ductape om de ene knop. De ontwerper moet dus verder gaan en detectie inbouwen dat als een knop langer dan x seconden is ingedrukt, de hele installatie uitvalt en niet zomaar weer kan worden aangezet. Waarna mensen dan toch weer iets vinden om het weer gevaarlijk te maken. Lees in “Gödel, Escher, Bach” van Douglas Hofstadter het verhaal van de krab en de schildpad over hoe zo’n wedloop nooit ophoudt.

De moraal van dit verhaal: als je iets ontwerpt, doe het dan zo dat als er iets mis gaat, de gevolgen beperkt blijven. En voor de manager, als je iets moet beslissen en je mist informatie, beslis dan zo dat er in ieder geval geen dooien vallen.

Blog

Wielren-herintreder

Toen ik wielrende, vroeger, ik bedoel, toen ik koerste, had ik een fiets die Piet Aandewiel voor mij op maat had gemaakt. Dat was in 1974. Voor de onderdelen (“groep” heet dat tegenwoordig) moest ik als student een half jaar sparen. Ik kocht remmen van Weinman, ik had niet de duurste Campagnolo remmen nodig want in een westrijd wil je toch niet remmen. De achterderailleur was Campagnolo Nuovo Record, de voorderailleur een gewone Campagnolo, een crankset van Sugino want voor Campagnolo had ik toen geen geld meer.

De tandwielverhoudingen waren standaard. Je had voor 52-48, en achter 14-15-16-17-18. De 18 was voor tegenwind, de 15 en de 16 voor de criteria. De 18 kon je alleen gbruiken met het kleine blad voor, met het grote blad kon je de 14-15-16 gebruiken. De ketting mocht niet te schuin lopen. Ik heb in de polder toen nooit behoefte gehad aan andere tandwielverhoudingen. In de heuvels en bergen wel, natuurlijk.

Ik heb in 2010 voor het laatst op die fiets gefietst, na een periode helemaal niet gefietst te hebben. Ik kon nog wel bandjes kopen voor de Aandewiel, tuubs, maar een ketting niet, tandwielen niet, wielen niet, niks paste, het was allemaal teveel veranderd. Ik kon ook de Clement bruine kit nergens vinden, de kit die je altijd gebruikte om de bandjes op de velg te kitten.

Ik moest dus een nieuwe fiets.

Ik kocht een Specialized Tarmac, het instapmodel, met een Shimano 105 groep. Ik dacht “de achterderailleur is super belangrijk om goed te schakelen” dus liet ik er een Dura Ace achterderailleur op zetten. Ik weet nu dat dat onzin was: een moderne goedkope derailleur schakelt al veel beter dan het Campagnolo Nuovo Record topmodel van toen.

Waar ik jaren mee geworsteld heb zijn de tandwielverhoudingen. Mijn nieuwe fiets had tien tandwielen achter, van 11 tot 23. Voor is het 53-39. Vanuit mijn oude idee “de ketting mag niet te schuin lopen” vond ik een 11 tandwiel achter een absurd idee. Als ik op mijn 20e het 14-tandwiel al te zwaar vond, hoe kan ik dan als 60+er een 11 trappen? En een 23, dat was waar ik vroeger mee in de Vogezen fietste op hellingen van 10%, wat heb ik daar dan aan in het vlakke land? Jaren heb ik geëxperimenteerd met tandwielen, vanuit mijn naar ik nu weet achterhaalde ideeën over tandwielen en schakelen. Ik weet nu dat je de ketting best schuin mag laten lopen, moderne kettingen zijn zoveel beter en soepeler dan de kettingen van vroeger. Je kunt de 11 en 12 gebruiken met je kleine voorblad, en met het grote blad kun je ook de 23 rijden. Er ging een wereld voor me open.

Waar je vroeger een zeer beperkte keuze in verzetten had, je had er effectief zes, waarbij je dan ook met de voorderailleur moest schakelen, heb je nu meer verzetten zonder dat je met het voorblad hoeft te schakelen. Je hoeft ook niet als je op vakantie naar Frankrijk gaat andere tandwielen te monteren, zoals we vroeger deden, want met 39-23 kom je de meeste bergen wel op. Tenminste, als je 20 bent.

Wat ik geleerd heb is dat als je een tijdje weg bent uit een vakgebied (of uit een sport of hobby) je teveel mist van wat er intussen is gebeurd. En als je lang genoeg weg bent geweest is de afstand die je hebt tot de huidige stand van zaken zo groot dat je niet gemakkelijk weer aansluiting vindt. En dus ben je dan jaren bezig om uit te vinden dat de fietsen die ze tegenwoordig verkopen optimaal zijn ingericht en afgesteld. Alleen, je moet niet naar moderne racefietsen kijken met de ogen van vroeger. Je moet weten hoe en waarom racefietsen nu anders zijn. Je moet leren goed gebruik te maken van een moderne fiets.

Natuurlijk had ik toen ik mijn nieuwe fiets had gekocht meer met anderen moeten fietsen, meer onderzoek moeten doen, vaker koffie moeten drinken met wielrenners, om me in te leven in de veranderde wielren-wereld. Maar ja, ik was nu eenmaal gewend om in mijn eentje te trainen, en wedstrijden zijn er voor mijn leeftijdscategorie niet.

PS. Je kunt in dit stukje voor “wielrennen” natuurlijk iedere sport of ieder vakgebied invullen. Je kunt voor “fiets” iedere technologie invullen. Altijd geldt dat als je ergens langere tijd uit bent, je teveel kennis mist om er naadloos en zonder hulp weer helemaal in te komen.

Blog

Biomassa is niet groen

foto van wikimedia

Mensen zeggen dat het verbranden van hout (“biomassa”) circulair is en dus goed voor het klimaat. Het argument is dat het hout dat wordt verbrand eerst CO₂ uit de lucht heeft opgenomen die later bij het verbranden dan weer wordt uitgestoten. Wat er gebeurt is

  1. Je plant een bos en laat dat dertig jaar groeien. De bomen nemen een hoeveelheid CO₂ uit de lucht op.
  2. Je verbrandt het bos in een centrale, waarbij dezelfde hoeveelheid CO₂ wordt uitgestoten die het bos had opgenomen.
  3. Je hebt geen hout of bos meer over.

Vergelijk je dit met het stoken van aardgas:

  1. Je plant een bos en laat dat dertig jaar groeien. De bomen nemen een hoeveelheid CO₂ uit de lucht op.
  2. Je verbrandt aardgas in een centrale waarbij de uitstoot van CO₂ de helft is wat het bos heeft geproduceerd.
  3. Je hebt nog een bos over dat CO₂ blijft opnemen, of dat je kan kappen zodat je een grote stapel timmerhout overhoudt.

Vergelijk je beide modellen, dan wordt bij houtverbranding en gasverbranding dezelfde hoeveelheid energie geproduceerd. Bij houtverbranding wordt netto geen CO₂ uitgestoten of opgenomen, terwijl bij gasverbranding netto CO₂ wordt opgenomen uit de atmosfeer.

De mensen die houtverbranding “circulair” noemen, beargumenteren dat door in het houtmodel een bos te planten en dat in het gasmodel slinks weg te laten. Met scheve vergelijkingen kun je alles bewijzen. Het verbranden van hout is op geen enkele manier goed voor het klimaat.

Blog

Hernieuwbaar is niet groen

In 1972 publiceerde de Club van Rome het rapport “Grenzen aan de groei”. Het belangrijkste wat ik me herinner van dat rapport is de constatering dat delfstoffen en dus fossiele brandstoffen eindig zijn, kwa hoeveelheid. Als we doorgingen met olie en kolen verstoken, dan zou het op een gegeven moment op zijn, en wat dan?

Een oplossing voor dit probleem is het gebruik van “hernieuwbare” brandstoffen, dat wil zeggen, brandstoffen die we niet opgraven uit de aarde maar die we kunnen bijmaken. Dat is windenergie, of houtverbranding. Zonnecellen waren in de jaren ’70 al wel uitgevonden, maar pas in de jaren ’80 ging men bruikbare zonnecellen maken met een zinvol rendement.

We zijn nu vijftig jaar verder en de steenkool en olie zijn nog niet op. De wereldeconomie is minstens zoveel gegroeid als dat men indertijd dacht, maar er blijkt ook meer fossiele brandstof in de aarde te zitten dan gedacht. Het feit dat de hoeveelheid fossiele brandstof eindig is, blijkt niet zo’n probleem.

Wel een probleem is de hoeveelheid koolstof-dioxide (CO₂) in de atmosfeer. CO₂ en andere “broeikasgassen” zorgen dat de dampkring van de aarde opwarmt. Dat komt hierdoor: de zon verwarmt overdag de aarde met zichtbaar licht, dat door de dampkring het aardoppervlak bereikt. De aarde straalt die warmte ook weer uit, in de nacht, als microgolfstraling (warmtestraling). CO₂ (en andere broeikasgassen) laten het zichtbare licht van de zon probleemloos door, maar vangen de warmtestraling op, waardoor die niet de atmosfeer verlaat. Hierdoor warmt de atmosfeer geleidelijk aan op.

Hoe meer CO₂ (en andere broeikasgassen, ik zal dat verder niet expliciet steeds noemen) er in de atmosfeer is, hoe sneller de aarde opwarmt. Het enige wat belangrijk is voor de opwarming is het CO₂-gehalte van de lucht. Waar die CO₂ vandaan komt is niet relevant. Of die CO₂ uit een “cyclisch” proces komt of niet, doet er niet toe. Het CO₂-gehalte van de lucht is wat telt.

Willen we met ons allen minder CO₂ uitstoten, dan moeten we minder brandstof verbranden. De belangrijkste bron van CO₂ in de atmosfeer is het verbranden van fossiele brandstoffen als steenkool, olie en aardgas. Vandaar de terechte roep om steenkoolcentrales te sluiten en minder voertuigen met verbrandingsmotoren op de weg en in de lucht te hebben.

En daar lijkt er ergens iets mis te zijn gegaan in de terminologie. In “Grenzen aan de groei” ging het erom fossiele brandstoffen te vervangen door hernieuwbare brandstoffen, die niet de aarde zouden uitputten. Bij het beperken van de CO₂ uitstoot gaat het niet om het “hernieuwbare” effect, maar om de hoeveelheid CO₂. Terwijl het gebruikt van biomassa voor de Club van Rome een goed idee was, het stopt immers de uitputting van de aarde, is het voor de opwarming van de aarde juist helemaal geen goed idee. Het verbranden van hout of alcohol geeft meer CO₂ dan het verbranden van steenkool of olie, omdat hout en alcohol een lagere verbrandingswaarde hebben. Hout is wel hernieuwbaar, maar tegelijkertijd is het verbranden ervan zeer slecht voor het milieu.

Op dezelfde manier is het gebruik van aardgas voor de uitputting van de aarde even slecht als het verbranden van steenkool of olie, maar voor de opwarming van de aarde is aardgas veel beter. Immers, het verbranden van aardgas produceert half zoveel CO₂ per hoeveelheid opgewekte energie als steenkool, olie of hout.

Het woord “hernieuwbaar” moeten we dus niet meer gebruiken. Ons probleem is immers allang niet meer de uitputting van de aarde, ons probleem is de opwarming van de aarde. De oplossing is het drastisch verminderen van de netto uitstoot van CO₂. En hoe we dat doen maakt niet uit. Voor iedere vorm van energie-opwekking kun je uitrekenen wat de netto uitstoot van CO₂ is per Joule per seconde, of per megawattuur per jaar. Hoe lager die uitstoot is, hoe minder de aarde opwarmt. Hoe “groen” energieopwekking is wordt bepaald door dat getal, de hoeveelheid netto geproduceerde CO₂ per tijdseenheid per energiehoeveelheid. Hoe “hernieuwbaar” die energieopwekking is, is voor de opwarming van de aarde in het geheel niet relevant.

Sommige mensen zeggen “hout verbranden is CO₂ neutraal want de geproduceerde CO₂ is eerst door het hout uit de lucht opgenomen”. Dat is een drogreden. Er is eerst CO₂ opgenomen, dat klopt, maar of je na die opname van CO₂ door het bos de bomen verbrandt of dat je steenkool verbrandt, doet niet ter zake – behalve dan dat als je de bomen omhakt, het bos geen CO₂ meer opneemt. Het enige wat telt is de netto hoeveelheid CO₂ per seconde die er in de atmosfeer bijkomt. Of afgaat. En die hoeveelheid is bij het verbranden van steenkool net iets kleiner dan bij het verbranden van hout.

Aardgas is fossiel, en in het kader van de hernieuwbare brandstoffen van de grenzen aan de groei is het verbranden van aardgas precies even slecht als het verbranden van olie of steenkool. Echter, kijk je naar de klimaatopwarming en dus naar de netto uitstoot van CO₂ per joule per seconde, dan is de uitstoot van CO₂ door aardgasverbranding de helft van die van olie of steenkool. Je mag dus tweemaal zoveel energie opwekken met aardgas, vergeleken met steenkool, voor dezelfde opwarming van het klimaat.

En als je dat constateert, is het onbegrijpelijk dat in ons land het aardgas moet verdwijnen, terwijl het verbranden van hout en alcohol (biobrandstof) gesubsidieerd wordt of verplicht wordt. Er wordt 5% of 10% alcohol bijgemengd bij de auto-benzine. Alcohol heeft een lagere verbrandingswaarde dan benzine, je auto gaat er dus minder zuinig van lopen en produceert meer CO₂ per kilometer. Omdat de netto uitstoot van CO₂ het enige is wat telt, voor de opwarming van de aarde, is het verplichte bijmengen van alcohol in de benzine dus slecht voor het klimaat. Als je een wat oudere auto hebt, is het ook slecht voor de motor van je auto.

Ik stel voor om het woord “hernieuwbaar” niet meer te gebruiken. In plaats daarvan geven we dan bij iedere vorm van energieopwekking aan wat de netto uitstoot van CO₂ is per seconde per Joule. Waarbij we dan de uitstoot kunnen verminderen door naast het verbranden van aardgas eenzelfde bos aan te planten als wat we voor biomassa zouden doen en de CO₂ opname van dat bos verrekenen met de uitstoot van de centrale. Voor alle energie die we produceren rekenen we uit wat het “groen-getal” is, dat wil zeggen, de CO₂ uitstoot, verminderd met de compensatiemaatregelen die we treffen in de vorm van aanplant of niet omhakken van bos. Dan zal blijken dat de klimaat-agenda van onze overheid grondig herschreven moet worden.