Art History, Blog

Johan Huizinga over Jan Veth

Jan Pieter Veth (1864-1925) was een schilder, tekenaar, dichter, kunstcriticus en organisator. Hij schreef voor De Nieuwe Gids, later ook voor De Gids. Hij zamelde geld in waarmee hij op een veiling tekeningen van Rembrandt kocht voor het Rembrandthuis. Hij bemoeide zich met het museumbeleid (“moet het Rijksmuseum kunst of historie verzamelen?”), hij was later docent aan de Rijksacademie voor beeldende kunst, hij coachte kunstenaars, hij heeft heel veel tijdgenoten getekend of geschilderd. Hij heeft bijgedragen aan de erkenning van Vincent van Gogh. Veth was een persoon met een zeer veelzijdige belangstelling, wat natuurlijk uiteindelijk een belemmering is om de dingen goed of volledig te doen.

Johan Huizinga heeft één biografie geschreven over een kunstenaar: “Leven en Werk van Jan Veth” in 1927. Voor de kunstgeschiedenis is het jammer dat Huizinga niet veel meer van zulke biografieën heeft geschreven. De rijkheid van de persoon van Jan Veth maakt de biografie zeer lezenswaardig, de kennis en het inzicht van Huizinga voegen een substantiële laag toe. Huizinga heeft kunnen putten uit een grote verzameling brieven, Veth schreef veel, en graag. De analyse van Huizinga, de historicus, maakt daar heel goed gebruik van. Het is een fascinerend boek.

Leven en Werk van Jan Veth, J. Huizinga, 1927. 

Blog

Getallen moeten rond zijn

Ik kwam een oude column van mezelf tegen, die in deze tijd relevant is. De media rapporteren over allerlei wetenschapplijk onderzoek over het coronavirus, en maken dan dezelfde fouten: “tussen de 24.500 en 251.000 mensen kunnen besmet raken” schrijven ze dan, en dat is klinkklare nonsens.

Op sync.nl: Getallen moeten rond zijn.

PS
Op 28 juli rapporteert het RIVM een reproductiegetal van 1.29. Als ze het getal in honderdsten geven, zeggen ze dat het op honderdsten nauwkeurig is. 1.29  betekent groter dan 1.28, en kleiner dan 1.30. Dan kijk je naar wat ze noemen “bandbreedte”, dat is de nauwkeurigheid van het getal, en dan vind je dat het reproductiegetal tussen de 1.0 en 1.6 ligt. De nauwkeurigheid is dus in de orde van 0.3, niet 0.01. Dat is een ernstige fout. Als studenten, toen ik natuurkunde-studenten les gaf over dit onderwerp, meer decimalen opgaven dan ze hard konden maken, kregen ze nul punten voor de opgave. Ook als de uitkomst op zich goed was. Want als je het meetresultaat nauwkeuriger opgeeft dan je hard kunt maken, dan heb je iets heel wezenlijks van wat je aan het doen bent niet begrepen. Sommige studenten werden dan boos. Maar allemaal zeiden ze later “je had wel gelijk”. De meeste van die studenten zijn goede fysici geworden.

PS2
Het CBS meldt “Het betrouw­baarheids­interval plaatst de bovengrens van de oversterfte op 11 691 personen en de ondergrens bij 8 593 personen”. CBS is het Centraal Bureau van de Statistiek. Die moeten iets van statistiek weten, zou je dan in je naiveteit denken. Het verschil tussen onder- en bovengrens is 3.000, het gemiddelde is 10.000, dus de onzekerheidsmarge is 1.500. Als de onzekerheid 1.500 is, dan is “8.593” onzinnig. CBS had moeten schrijven “de ondergrens is 8.500, de bovengrens is 11.500”. Beter is dan “de oversterfte is 10.000 ± 1.500”. Nu.nl neemt de getallen klakkeloos over: “Daarmee schat het instituut in dat in de periode van 9 maart tot en met 24 mei de oversterfte tussen de 8.593 en 11.691 personen ligt”. Van mensen die een CBS publicatie lezen verwacht je dat ze een beetje inzicht hebben in statistiek en representatie van meetresultaten. Nu.nl is een altgemeen nieuwsmedium, van lezers daarvan kun je dat niet verwachten. Het is een verantwoordelijkheid van een nieuwsmedium om de informatie van de bron te vertalen naar het begrippenkader van de lezer. Dat nu.nl de cijfers zo klakkeloos overneemt is zorgelijk, en vooral heel dom.

 

Blog

Coronabesmetting: het maakt uit met hoeveel virusdeeltjes je besmet raakt.

Ik heb een vraag. Ik vraag me af of het uitmaakt met hoeveel coronavirus-deeltjes je besmet raakt. Wat ik bedoel is dit.

Persoon A loopt in een niet te drukke straat, en krijgt in het voorbijgaan van een voetganger één virusdeeltje binnen. Persoon A wordt ziek. Persoon B zit een hele avond dronken in de kroeg en krijgt een miljoen coronavirus-deeltjes binnen. Persoon B wordt ziek.

Scenario 1:
Persoon A wordt precies even ziek als persoon B. Ze hebben beide dezelfde kans om op de IC en aan de beademing te komen of om maar lichte of geen symptomen te krijgen en er verder weinig last van te hebben.

Scenario 2:
Persoon A wordt maar een beetje ziek, met weinig of geen symptomen, terwijl persoon B aan de beademing komt.

Scenario 3:
Persoon A wordt ziek en heeft een kleine kans om erg ziek te worden en aan de beademing te komen, terwijl persoon B ziek wordt en een grote kans heeft om erg ziek te worden, en ook een kleine kans om niet heel ziek te worden.

Scenario 4:
In het verlengde van scenario 2 kun je je voorstellen dat persoon A na één besmetting een piepklein beetje immuniteit heeft opgebouwd en een paar B- en T- geheugencellen heeft gekregen, en dan nog een keer met weinig virus besmet raakt, opnieuw B- en T- cellen erbij krijgt, en zo gaandeweg een stevige immuniteit opbouwt. Die immuniteit is niet blijvend, dus het is voordelig om iedere maand één virusdeeltje binnen te krijgen zodat je niet ziek wordt maar wel immuniteit behoudt, voor het geval je een keer de volle laag krijgt.

In deze link lees ik dat je met een grotere dosis virus ernstiger besmet raakt. Dat wil zeggen, scenario 2 is wat er gebeurt. Daar moet je dan bij de bestrijding van het virus en de maatregelen die je adviseert of verplicht stelt, rekening mee houden.

  1. Je wilt voorkomen dat mensen ernstig ziek worden, dus moet je alles verbieden waardoor mensen een grote dosis virus kunnen opdoen. Geen cafés, geen kerkdiensten, geen vliegtuigen en OV, geen feestjes binnenshuis.
  2. Het is wel ok als mensen symptoomloos ziek worden of een heel klein beetje ziek worden. Dus mondkapjes op straat wil je niet, in grote supermarkten ook niet, in piepkleine winkeltjes weer wel. Kwetsbare en/of oudere mensen moeten vaak een mondkapje dragen, jonge mensen alleen in aanwezigheid van kwetsbare mensen.
  3. Je stelt anderhalvemeter niet verplicht buiten, wel binnen.
  4. Je verbiedt bijeenkomsten binnen, maar niet buiten, mits anderhalve meter.

Het beleid zou dan zijn laat iedereen een piepklein beetje ziek worden, laat niemand ernstig ziek worden, en laat ouderen/kwetsbaren helemaal niet ziek worden. Dat strookt met het oorspronkelijke idee van het RIVM om immuniteit op te bouwen, maar dan wel heel geleidelijk en voorzichtig.

Blog

De architect kookt niet

Ik denk dat architecten niet koken, en sterker nog, nooit in de keuken staan. Hoe verklaar ik anders dat in veel keukens ergonomisch ongeveer alles verkeerd is?

Ik neem mijn huidige apartement als voorbeeld. Het is 90m² groot. Twee slaapkamers, een grote woonkamer. Geen keuken. Dat wil zeggen, ik kook in een hoekje van de woonkamer en dat heet dan “open keuken”. Dat geeft een aantal problemen.

Ten eerste, ik wok nogal eens, ik bak wel eens wat, en in mijn woon/werkkamer hangt een aantal olieverf schilderijen van begin vorige eeuw. Hoe voorzichtig ik ook wok en bak, die schilderijen raken langzaam bedekt onder een laagje olie. Ik wil gewoon een aparte keuken in mijn huis.

Ten tweede, de keuken is maar een hoekje, heel klein, met ingebouwde koelkast, vaatwasser, combi-oven, kookplaat, allemaal in dat hoekje. Als een architect wel eens zou koken zou hij weten dat je in de keuken een afvalbak hebt. Die past niet in mijn keuken, die zou ik dan naast de bank moeten zetten of naast de deur naar de hal, of onder de eettafel. Dus heb ik een afvalbakje in het gootsteenkastje. Een piepklein afvalbakje, waarvan het deksel niet helemaal opgengaat omdat het tegen de afvoer van de gootsteen komt. Ik moet vrij vaak naar de container beneden (ik woon op tien hoog) om een heel klein zakje met afval weg te gooien.

Ten derde, het lichtpunt in de keuken zit aan de rand van de keuken, op de rand van het hoekje dus. Sta je in de keuken, dan sta je in het licht en is het aanrecht niet goed verlicht. Dat is iets waar architecten sowieso niet goed bij nadenken: ze plaatsen lichtpunten op plekken die zij handig vinden, zoals zij denken dat je je huis moet inrichten. Dus hang je in de keuken een paar felle spots aan het lichtpunt die de achtermuur verlichten zodat je nog iets kunt zien in de keuken.

Ten vierde, stopcontacten boven het aanrecht. In San Jose (CA) had ik een klein aanrecht in mijn apartement, met een hele serie stopcontacten, verspreid over het aanrecht. Hoe ik de apparaten ook neerzette, ik kon ze altijd aansluiten zonder een warboel van snoeren te maken. Niet in mijn huis. Ik heb drie dubbele stopcontacten, waarvan twee verstopt achter de espressomachine, en eentje op een stuk van het aanrecht waar ik drie elektrische apparaten heb staan. Gedoe met snoeren dus. Waarom niet gewoon zes dubbele stopcontacten? Zodat ik zelf kan bepalen wat ik waar neerzet?

Ik heb al eens eerder geschreven over keukenapparatuur, in een artikeltje over quality management. Je verwacht dat een architect daar goede keuzen in maakt, maar niet dus. De inductiekookplaat heeft de slechtst denkbare bediening, aan de combi-oven heb ik een magnetisch klokje gehangen omdat de ingebouwde klok ook na 8 jaar voor mij nog pure magie is, en de magnetron gaat piepen als de tijd op is, en blijft piepen, tot St Juttemis. Niet drie piepjes, of zes, en dan eentje per minuut: nee, een blijvend gepiep totdat je hem uitzet. Dat geldt voor alles van de combi-oven: als je niet alle knoppen bij het uitzetten in de juiste stand zet, gaat alles piepen. Ook bij de kookplaat: als ik een pan ietsje scheef neerzet gaat het piepen, zelfs als de kookplaat verder helemaal uit staat.

Ik stel voor dat de opleiding van die mensen die apartementen gaan ontwerpen, een college bevat waarin de studenten iedere dag in de keuken staan van hun zelf ontworpen apartement. Ze doen dan een kookwedstrijd van een kwartier, waarbij alles op tijd klaar moet zijn en de keuken netjes wordt achtergelaten. Bij geen ander licht dan hun ontworpen lichtpunten. Met twaalf elektrische apparaten die allemaal tegelijk moeten kunnen worden aangesloten. Ieder onnodig piepje leidt tot diskwalificatie. Dat zal ze leren.

 

Blog

Vrouw aan de top

In 1998 had ik een goed idee. Ik ging AI toepassen in social media. Ik bouwde immers al sinds eind jaren ’80 AI-systemen (bij BSO onder andere) en pionieerde sinds begin ’94 met internet-applicaties (bij BSO en bij De Digitale Stad). Ik had gelezen over de “believable agents” (bots) van Pattie Maes bij MIT, mijn idee was om die bots over het internet te laten lopen. Dus richtte ik het bedrijf Tryllian op. We begonnen in een klein kantoortje, twee angel investors erbij, en vijf programmeurs. Binnen drie maanden hadden we iets werken. Interaction designer erbij (uit de school van Dick Rijken) en dan maar hard werken.

Clip1

In 1999 opende het “Twinning Center” in de Watergraafsmeer. Een incubator waar je ruimte en faciliteiten kon huren, waar je met investeerders in contact kwam, en waar je geholpen werd met internationale expansie (lees: verhuizen naar Silicon Valley). Twinning investeerde ook. Toen het gebouw opende, waren er zes bedrijven die daar ruimte huurden en die investering kregen van Twinning. Van de beloofde faciliteiten kwam niets terecht: dat regelden we toen maar onderling. Tryllian had inmiddels tien medewerkers, en dat was genoeg. Vond ik toen.

Toen ik op zoek ging naar meer investering (je moet het ijzer smeden als het heet is, en je moet niet eerst wachten tot je geld op is) ging ik presentaties doen (“pitches”) aan diverse investeerders. Twinning drong er als aandeelhouder op aan dat ik een “profesionele CEO” zou aannemen. Ik voelde daar niets voor, ik kon het prima zelf. Ze kwamen met een kandidaat, die wilde €400.000 per jaar verdienen. Ik vond dat net wat veel, ik verdiende zelf tien keer minder. Geen van de andere kandidaten waar ze mee kwamen had de expertise of ervaring die ik nodig vond. Uiteindelijk kwamen ze met een meneer die 12 jaar als projectmanager bij een bank had gewerkt. Ik las zijn CV, het was niks. Maar of ik er nog ‘s over wilde denken. Het was niks. Ik moest met hem spreken. Het was niks. Toch is ‘ie er gekomen: als professionele CEO in een keurig grijs pak.

Met mijn pitches haalde ik inmiddels €11M aan investering binnen bij een groep investeerders. Met 10 mensen in dienst kun je voor zo’n bedrag wel wat software maken en reclame maken en zo. Maar dat was niet meer aan mij, als je een aantal ronden financiering doet waarbij de nieuwe investeerder steeds de helft van de aandelen krijgt, dan hou je niet veel over. Ik had nog maar nauwelijks tien procent van de aandelen, en kon dus niet meer zelf beslissen over Tryllian.

De CEO ging voortvarend te werk met het laten groeien van het bedrijf. Na anderhalf jaar werkten er 60 mensen en zaten we in een nieuw groot gebouw. We hadden vier boekhouders (zelf had ik de boekhouding en administratie uibesteed aan een kantoor waar ik al eerder mee had gewerkt) en drie personeelmanagers (personeel aannemen deed ik tevoren gewoon zelf). Toen was ik het zat. Na een gesprek met de hoofd-boekhouder begreep ik dat er tonnen per maand de deur uit gingen aan totaal nutteloze kosten. Ik had beter op moeten letten: ik was er ten onrechte vanuit gegaan dat een heel dure professionele CEO zou weten hoe je verstandig met geld omgaat. Ik was er ook vanuit gegaan dat de commissarissen die er namens de investeerders zaten, daarop zouden letten.

Ondertussen had ik strijd gevoerd met de CEO over het product dat we hadden. Dat waren Gossip bots, grappige figuurtjes op het scherm van je laptop die in tekstballonnetjes met je praatten en dan floep! het wereldwijde interweb op gingen om namens jou met andere bots en agents te onderhandelen over alles wat jij interessant vond. Een uur of een dag later kwamen ze dan terug, en kon je kijken wat ze hadden gevangen. Iedereen vond het dolle pret. Iedereen, behalve de CEO. Die dacht dat dolle pret geen goed businessmodel was. Dat ik wereldwijd presentaties gaf over de gossipjes, dat we op JavaOne in 2001 één van de “ten cool apps” waren, dat ik met de gossipjes in 2001 door het World Economic Forum als Technology Pioneer werd uitgenodigd om naar Davos te komen, dat telde blijkbaar niet. De man trok de stekker eruit. Vrij letterlijk: hij gaf een systeembeheerder opdracht de server uit te zetten waar de applicatie op draaide. De enige applicatie die we hadden en die best wel wat gebruikers had.

In 2002 was het geld op, ik vertrok en ging iets anders doen, het bedrijf ging later dat jaar failliet. Ik heb veel geleerd in die tijd:

  1. Laat je nooit door anderen wijsmaken hoe je je bedrijf moet runnen. Zelfs als het bedrijf het niet redt, heb je minder slapeloze nachten als je het bedrijf zelf failliet laat gaan dan als je het door een ander laat doen. Laat je door iedereen adviseren, maar beslis zelf. 
  2. Zorg dat je de controle over je bedrijf houdt door genoeg aandelen zelf te houden. Ook na een paar ronden investering wil je nog meerderheidsaandeelhouder zijn. 

Ik heb ook veel geleerd over het runnen van een bedrijf en hoe dat wel en niet moet en hoe je goede mensen aanneemt en hoe je mensen tot de top van hun kunnen drijft. Dat doe je niet door ze te vertellen wat ze moeten doen, maar door ze te laten zien wat mogelijk is. Als je wilt dat mensen een schip bouwen, moet je ze niet leren timmeren en zagen, maar moet je de visioenen schetsen van wat je op zee aan de horizon kunt vinden.

Iets waar ik eigenlijk pas recentelijk aan dacht is dat Tryllian het enige bedrijf in de Twinning omgeving was waar werd doorgedrukt dat er een “professionele CEO” werd aangenomen. Die andere vijf waren opgericht door groepjes vrienden, door twee broers, door mannen alleen. De twee broers werden rijk, de groepjes vrienden kwamen in fusies en overnames terecht en deden het zo aardig goed. De mannen alleen werden niet rijk maar ook niet arm. En ik, ondanks dat men een professionele bank-meneer als CEO had aangesteld, kon na een enerverend achtbaan-avontuur helemaal opnieuw beginnen.

Ik heb Tryllian van mijn CV verwijderd. Tryllian was indertijd nogal bekend in ons land, het faillissement kleeft aan mij, het staat niet goed op mijn CV, heb ik in de loop van de tijd gemerkt. Laatst nog maakte iemand er een schampere opmerking over. Na 20 jaar. Ik ben opnieuw begonnen, en opnieuw begonnen, ik freelance nu als Java/Android/Springboot/Kotlin developer en projectmanager. En ondernemer, want dat is wat ik wil. Corona heeft dat wat in de wielen gereden, met gecancelde opdrachten en zo, en geen bijeenkomsten om nieuwe contacten te leggen. Ik heb nu ook ineens AOW en wat gebroken pensioentjes. Ben ik toch nog ergens terecht gekomen.